Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 46 tweede lid der Drankwet.

Op heden den (datum, jaar met tijdsbepaling) toen ik (naam, qualiteit en woonplaats) in burgerkleeding als passagier gebruik maakte van het openbare middel van vervoer, de stoomboot, „Neptunus" welk vaartuig door den ondernemer R . . . R . . ., oud . jaar, wonende te . . uitsluitend wordt gebezigd tot het vervoer van personen en goederen tusschen de gemeenten ... en

. . heen en terug, zijnde derhalve geen openbaar middel van vervoer in internationaal verkeer, werd door mij gezien en waargenomen, dat aan één der in de derde klasse kajuit van dat openbaar middel van vervoer aanwezige reiziger op diens bestelling door den aldaar dienstdoenden hofmeester G . . . G . . ., geboren te . den . . . 18 . ., wonende te . . . een glas brandewijn werd toegediend, waarvoor laatstgenoemde van dezen 10 cent ontving.

Nadat flie persoon van den hem toegedienden drank gedronken had, maakte ik mij aan hem bekend, en onderzocht den inhoud van het hem toegediende glas, zijnde een gewoon borrelglas, wat mij brandewijn, derhalve sterke drank bleek te bevatten. Deze vei klaarde mij genaamd te zijn A . . . B . . . oud

jaar, van beroep wonende te ... en erkende, dat

voornoemde hofmeester hem op zijn bestelling een glas brandewijn had toegediend, waarvoor hij aan hem 10 cent betaalde.

Daar de hofmeester G . . . Gr . . . deze verklaring bevestigde, verklarende wel te weten, dat het verboden is, op, ot in een openbaar middel van vervoer sterken drank toe te dienen ot te verstrekken, en de ondernemer bovengenoemd verklaarde, dat genoemd openbaar middel van vervoer niet in internationaal verkeer gebezigd wordt, is door mij van het vorenstaande op afgelegden ambtseed dit proces-verbaal opgemaakt.

. den 19 . . -

(Handteekening)

Sluiten