Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 50 negende lid der Drankwet.

Op heden den (datum, jaar met tijdsbepaling) werd door mij, (naam, qualiteit en woonplaats) gezien en waargenomen, dat zich in het aan de . straat te gelegen logement, Wijk

No. . waarvoor door Gedeputeerde Staten dezer Provincie, overeenkomstig het 2e lid van artikel 2 der Drankwet, eene vergunning tot verkoop van sterken drank in het klein alleen aan

logeergasten, aan F ... . F geboren te

den ... 18 . van beroep . . . wonende aldaar is verleend, de mij welbekende D . . . D . . . oud

. jaar, van beroep . . . mede aldaar woonachtig bevond, die als inwoner dezer gemeente naar redelijk inzicht niet als logeergast in dat logement kon worden beschouwd, welke een met brandewijn, wat mij door ruiken en proeven bleek, derhalve sterke drank, gevuld borrelglas voor zich op tafel had staan, waarvan hij dronk, terwijl ik zag, dat hij aan den logementhouder eenig geld overhandigde.

Volgens zijn verklaring diende laatstgenoemde hem op zijn bestelling dien sterken drank toe, waarvoor hij aan hem 5 cent betaalde.

De logementhouder bovengenoemd bekende aan dien persoon een glas sterken drank in zijn logement te hebben verkocht, waarvoor deze hem 5 cent betaalde, dat die persoon niet tot zijn logeergasten behoort, terwijl hij houder is van een door Gedeputeerde Staten dezer Provincie verleende vergunning tot verkoop van sterken drank in het klein in een logement alleen aan logeergasten.

Daar de naam van bovengenoemden D . . . D op dat tijdstip, noch den volgenden morgen, voorkwam in het bij artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde register, en hij mij verklaarde aldaar niet logeerende te zijn, noch dat voornemens was, heb ik op afgelegden ambtseed van het vorenstaande dit proverbaal opgemaakt.

. . . . den .... 19 . .

(Handteekening)

Sluiten