Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 20 tweede lid der Wet op de Jacht en Yissehery.

Op heden den (datum, jaar met tijdsbepaling), bevond ik (naam, qualiteit en woonplaats) mij op surveillance in de gemeente en werd door mij waargenomen, dat zich, op een aldaar gelegen perceel weiland van en in eigen gebruik bij W

W wonende te in het veld bevond de

mij welbekende S . . . . S geboren te ,

den • ' ' • > van beroep wonende te ...

die een jachthond, waarvan hij eigenaar is, bij zich had, welke blijkbaar wild opspoorde.

Inmiddels zag ik, dat die hond uit een boschwal een haas dreef

en daartoe door S N ,.

• • • ■ ö . . . . aangezet, dien greep,

waarna die hond dat wild hem opbracht, terwijl hij geen enkele

poging deed om zulks den hond te beletten, doch dezen, zooals

evengemeld, op het opgespoorde wild aanzette.

Desgevraagd verklaarde hij mij het consent in artikel 16 noch de

buitengewone machtiging bedoeld in artikel 26 der Wet op de Jacht

en Visscherij te kunnen vertoonen, daar hij geen dezer bescheiden bezat.

Hij erkende geen zorg te hebben gedragen om ie beletten dat zijn hond, welken hij in 't veld bij zich had, wild opspoorde en greep terwijl hij voorgaf daarvoor geen zorg te kunnen dragen.

Het doode wild heb ik in beslag genomen, en zal, zoodra doenlijk worden uitgeleverd aan den Heer Ambtenaar van het Openbaar Ministerie bi) de Kantongerechten te

Waarvan door mij op afgelegden ambtseed dit proces-verbaal is opgemaakt.

• • • • den . . . . 19 . (Handteekening)

4

Sluiten