Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 13 der Veiligheidswet.

Op heden, den (datum, jaar met tijdsbepaling), bevond ik (naam,

qualiteit en woonplaats) mij in het aan de straat te

gelegen perceel, Wijk . . No. . , waar brood

en banket wordt vervaardigd, met gebruikmaking van een dubbelen heete luchtoven, waarvan W .... W ... , geboren te

den .... 18 . , wonende te ,

hoofd (of bestuurder) is, en werd door mij gezien en waargenomen, dat deze in voormelde bakkerij, en diens knechten L L . . . . , oud . jaar, en N .... N .... , oud . jaar, beiden wonende aldaar, bezig waren deeg te bereiden, dat in daarvoor bestemde vormen deden en die, aldus gevuld met deeg, plaatsten in den aldaar aanwezige dubbelen heete lucht-oven, waaruit het na eeuigen tijd als voor het gebruik geschikt gemaakt brood te voorschijn werd gehaald.

Uit vroegere waarneming is mij bekend, dat deze inrichting reeds langer dan een maand in werking is, daar ik op den .

reeds constateerde, dat aldaar een dubbele heete lucht-oven in gebruik was, waarbij ik genoemd hoofd (of bestuurder) op zijn verplichting wees, gesteld bij artikel 13 der wet van den 20 Juli 1895 (Stbl. 137) genoemd onder een der letters a, b, c en d, waaraan door hem tot heden niet, derhalve niet binnen een maand na het in werking brengen, is voldaan.

De hierboven genoemde W ... W ... , erkende in

bovengenoemd perceel, op den een dubbelen heete

lucht-oven voor het vervaardigen van brood in werking te hebben gebracht, dat door hem daarvan tot heden de bij artikel 13 der wet van den 20 Juli 1895 (Stbl. 137) bedoelde opgave aan den Burgemeester der gemeente waar die werkplaats is gelegen, niet is ingezonden, en dat hij hoofd (of bestuurder) van die werkplaats is.

Waarvan door mij op afgelegden ambtseed dit proces-verbaal is opgemaakt.

. . . . den .... 19 . .

(Handteekening).

Sluiten