Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 2 der Vogelenwet. Zie K. B. d.d. 9 Juni 1893.

Op heden, den (datum, jaar met tijdsbepaling) bevond ik (naam, qualiteit en woonplaats) mij op surveillance in het aan de gemeente

toebehoorende en aldaar gelegen openbaar plantsoen,

zijnde geen plaats als bedoeld bij artikel 5 der wet van den 25 Mei 1880 (Stbl. 89), en werd door mij gezien en waargenomen, dat A . . . B . . . , geboren te .... , den .... 18 . , van beroep . , wonende te , uit

een in een aldaar staanden hollen boom aanwezig spreeuwennest, vier zich daarin bevindende spreeuweneieren uithaalde, en daarna bedoeld nest vernielde, door dat op den grond te werpen.

Ik heb die, door A . . . B uitgehaalde spreeuweneieren in beslag genomen, zijnde deze eieren van de in artikel 1 der wet van den 25 Mei 1880 (Stbl. No. 89) begrepen vogels, welke genoemd worden in het Koninklijk Besluit d.d. 9 Juni 1893, tot aanvulling van het Koninklijk Besluit van den 24sten October 1892 (Stbl. No. 236) als te allen tijde nuttig voor landbouw of houtteelt, en die uitgeleverd aan den Heer Ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij het Kantongerecht te

Waarvan door mij op afgelegden ambtseed dit proces-verbaal is opgemaakt.

• ■ • • den .... 19 . .

(Handteekening)

7

Sluiten