Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 38 tweede lid der Woningwet.

Op lieden, den (daturn, jaar met tijdsbepaling) werd door mij (naam, qualiteit en, woonplaats) gezien en waargenomen, dat de aan de straat te , Wijk . , No. . , staande aan K . . . K . . . , geboren te ... , den . . . 18 . , van beroep . . . . , wonende te .... , toebehoorende en laatstelijk bij dezen in gebruik zijnde schoenmakerswerkplaats, zijnde derhalve een gebouw laatstelijk niet als woning gebezigd, bedoeld bij artikel 38 tweede lid der Woningwet, zonder schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders der gemeente , door G . . . G . . . , geboren te

den .... 18 . , van beroep ,

wonende in voornoemd perceel, met zijn gezin als woning in gebruik was genomen, wat ik uit de daarin aanwezige meubelen, beddegoed enz. afleidde, terwijl ik waarnam, dat de vrouw des huizes op een onder een in dat perceel aanwezige rookgeleiding staande brandende kachel eten bereidde.

Genoemde G .... G ... , die daarin met zijn gezin verblijf hield, erkende die werkplaats zonder schriftelijke vergunning

van Burgemeester en Wethouders te als woning

in gebruik te hebben genomen, welke hij van den eigenaar K . . . K . . . . voor den prijs van .... huurde, terwijl hem bekend was dat bedoeld perceel laatstelijk als werkplaats, doch niet als woning was gebezigd.

Bovengenoemde K . . . K . erkende eigenaar van

bedoeld perceel te zijn, en als zoodanig dat aan G G . . . . zonder schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders te .... in huurgebruik te hebben gegeven, en tevens, dat hij zelf dat gebouw laatstelijk als schoenmakers werkplaats bezigde.

Waarvan door mij op afgelegden ambtseed dit proces-verbaal is opgemaakt.

. . . . den .... 19 . .

(Handteekening)

Sluiten