Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vastgestelde toelichting van de Nederlandsch-Duitsche Commissie. Blijkens die toelichting is van Duitsche zijde verklaard, dat in het algemeen de aanwezigheid in Duitschland van buitenlanders, die in hun vaderland in het geheel tot geen militaire verplichtingen gehouden zijn, als bedenkelijk voorbeeld, een nadeeligen invloed heeft op de inheemsche bevolking, die met groote persoonlijke opofferingen aan hare militaire verplichtingen heeft te voldoen. Wel wordt door de Commissie nu verder in het licht gesteld, dat er van Duitsche zijde in is toegestemd, in het tweede lid van artikel 3 het recht van uitzetting te beperken tot die personen, die in hun vaderland in gebreke zijn gebleven hunne militaire verplichtingen te vervullen, maar hetgeen daarop volgt doet toch zien, dat de positie van hen, die in hun vaderland geene militaire verplichtingen te vervullen hebben, na het in werking treden van het verdrag als weinig vast moet worden beschouwd. Immers is, blijkens de toelichting, door de Commissie als vanzelf sprekend aangenomen, dat deze laatste personen in overeenstemming met artikel 2 kunnen worden uitgezet, indien zij zich persoonlijk hinderlijk betoonen, in het bijzonder, indien zij tegenover de inheemsche bevolking zich mochten beroemen op hunne bevoorrechte positie ten aanzien der militaire verplichtingen. Nu, zooals men uitdrukkelijk wilde constateeren, in het verdrag de omstandigheid, dat. men in zijn land geen militaire verplichtingen te vervullen heeft, niet is genoemd als een grond om de vestiging of het verblijf in het andere land te ontzeggen, wenschte men omtrent den zin van dit deel der toelichting nader te worden ingelicht. Men vreesde, dat Nederlanders, die vrijgeloot hebben, of van den militieplicht vrijgesteld zijn wegens broederdienst of om andere redenen, in Duitschland van slechte conditie zouden worden, indien aangenomen moest worden, dat gehandeld kon worden in den zin, in de toelichting aangegeven.

Eenigen wezen op de hier in de toelichting gebezigde uitdrukking ,.indien zij zich persoonlijk hinderlijk betoonen" en op het voorbeeld, dat daarvan wordt gegeven, ten bewijze van de ruimte, die de formuleering van de gronden in artikel 2 aan de Duitsche autoriteiten laat om ieder, die hun hinderlijk voorkomt, de vestiging of het verblijf in het Duitsche Rijk te ontzeggen. Het nemen van willekeurige beslissingen, vreesden zij, zoude ook voortaan niet zijn uitgesloten.

Memorie yan Antwoord aan de Tweede Kamer.

Naar aanleiding van art. 3 werd in het Voorloopig Verslag betoogd, dat in Duitschland de positie van hen, die in hun vaderland geen militaire verplichtingen te vervullen hebben, na het in werking treden van het verdrag als weinig vast moet worden beschouwd. Als grond voor dit betoog wordt aangevoerd, dat door de commissie als van zelf sprekend is aangenomen, dat deze personen in overeenstemming met art. 2 kunnen worden uitgezei indien zij zich persoonlijk hinderlijk betoonen, in het bijzonder

Sluiten