Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er is in de laatste jaren herhaaldelijk verschil van opinie geweest welke papieren men noodig had om zijn nationaliteit te bewijzen, en de tegenwoordige Minister van Buitenlandsche Zaken, die zoo> lang in Berlijn geweest is, weet ook hoe dikwijls daarover moeilijkheden zijn voorgekomen, en dat er niet genoeg vastigheid bestaat, omtrent de papieren die men noodig heeft om zijn nationaliteit. 1e bewijzen. Ik zeg niet, dat op dit oogenblik de zaak slecht geregeld is, maar er is vroeger herhaaldelijk onzekerheid geweest op dit punt: men wist niet welke overheid alhier de bevoegdheid had die bewijzen af te geven. Ik kan dit uit eigen ervaring bevestigen, omdat verschillende mijner naaste bloedver-wanten in Duitschland wonen en ik meer dan eens bepaald last heb gehad om hun legitimatiepapieren in orde te brengen.

Wat de papieren aangaat, doet het mij genoegen, dat ook de Minister van Binnenlandsche Zaken op dit oogenblik hier tegenwoordig is en mag ik mij ook te dezer zake tot hem richten. Het is in den laatsten tijd bij naturalisatiën dikwijls voorgekomen, dat wij personen hadden te naturaliseeren, die vroeger de Nederlandsche nationaliteit hadden bezeten, en die door een klein verzuim hadden verloren.

Herhaaldelijk is er gewezen — het geldt ook den Minister van Justitie — op de wenschelijkheid om het voor die personen gemakkelijker te maken hun nationaliteit terug te krijgen, bijv. door van hen geen kosten bij nieuwe naturalisatie te vorderen. Op dit oogenblik leven in Duitschland en België vele personen, die hun nationaliteit hebben verloren door een klein verzuim, dat onmogelijk te verhelpen is. Mij dunkt het is dien lieden niet zoo kwalijk te nemen, wanneer zij het vergeten hebben, dat na tien jaar hun nationaliteitsbewijs moest vernieuwd worden. En dan volgt er uit, dat men in 't geheel geen nationaliteit meer heeft.

Wil men het geheele verdrag juist beoordeelen, dan moet men ook in aanmerking nemen, welke opvatting er in Duitschland omtrent de emigratie heerselit. Er zijn omtrent de emigratie twee groote grondgedachten, welke lijnrecht tegenover elkander staan. Het stelsel, dat in Engeland geldt: „eens Engelschman, altijd Engelschman" kan door dat land zeer gemakkelijk worden volgehouden, omdat het land over een groote vloot beschikt en over de gansche aarde bezittingen heeft, waardoor het naar den aard der zaak voor zijn onderdanen in den vreemde gemakkelijker kan opkomen en deze zoo noodig kan beschermen.

Het andere uiterste, dat in Duitschland eenigermate geldt, is: ..gaat gij weg, verlaat gij uw land, dan sluit ik de deur achter u dicht en gij komt er niet meer in." Dit stelsel is een gevolg van de strenge opvatting, welke in Duitschland omtrent den militairen dienst bestaat. Duitschland is de militaire Staat per excellence en daar bestond reeds lang de algemeene dienstplicht voor dat men in andere landen aan de invoering daarvan dacht. Vandaar, dat men in Duitschland vroeger steeds van de gedachte is uitgegaan, dat men eigenlijk weggaat om den dienstplicht te ontloopen. Men heeft dientengevolge aan hen die eenmaal waren vertrokken, het terugkomen moeilijk gemaakt. Waar het voordeel van het

Sluiten