Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze laatste aangelegenheid tneile sedert jaren in toenemende mate tot moeilijkheden aanleiding had gegeven, waaruit niet slechts veel correspondentie en administratieve omslag, maar ook voor de betrokken personen minder gewenschte gevolgen voortvloeiden."

Nu vraag ik wat kunnen die moeilijkheden geweest zijn? Zijn het moeilijkheden veroorzaakt door de Nederlanders zeiven in het buitenland? Om die te keeren sluit men geen verdrag. De eenige moeilijkheden waarop men dus hier het oog heeft kunnen hebben, zijn juist die welke waren ontstaan door het optreden van de autoriteiten in het buitenland. Maar daarmede heeft men volstrekt niet willen zeggen, dat die autoriteiten te laken waren; neen, men heeft er alleen op willen wijzen dat hun optreden gegrond was op opvattingen, welke met de onze in botsing kwamen en dat men daarom wenschte een gemeenschappelijke regeling. Ook dat verschil van opvatting is geen uitvinding van de leden die in het Voorloopig Verslag aan het woord zijn; neen, in de Memorie van Toelichting was daarop reeds gewezen, want daar werd gezegd, dat „ook door het verschil van opvatting dat zich omtrent de behandeling van deze aangelegenheden bij de autoriteiten aan weerszijden der grens geopenbaard had, op het tot stand brengen van een voor beide landen aannemelijke en in de praktijk uitvoerbare regeling slechts geringe kans scheen te bestaan." Voor ieder, Mijnheer de President, die eenigszins op de hoogte was van deze aangelegenheid, was dit een zeer juiste teekening van den stand der zaak, reeds van eenige jaren her.

En waarom bestond er langen tijd slechts weinig kans om tot een overeenkomst te geraken? Eenvoudig omdat de Duitschers bleven staan op hun stuk en hun opvattingen wilden doen zegevieren. Ik zeg dit niet om hun daarvan een verwijt te maken; integendeel, ik vond dat zulk een goede eigenschap, dat ik zou wenschen, dat het Departement van Buitenlandsche Zaken iets daarvan van hen overnam. Hoe zijn wij nu desniettegenstaande gekomen tot het sluiten van dit tractaat? Ik blijf, ook na het gesprokene door den geachten afgevaardigde uit Apeldoorn, van meening, dat dit alleen daaraan te danken is, dat wij in hoofdzaak de Duitsche opvattingen in deze zaak hebben laten zegevieren.

Natuurlijk hebben de Duitschers op sommige ondergeschikte punten toegegeven, maar, zooals ik met een paar voorbeelden zal aantoonen, in hoofdzaken niet.

Ik grond deze meening ook hierop, dat in de toelichting van de Commissie niets is te bemerken van pogingen, althans van ernstige pogingen, om de Nederlandsche denkbeelden op dit stuk werkelijk tegenover de Duitschers krachtig te verdedigen. Wel heb ik uit die toelichting gemerkt, dat men soms van Nederlandsche zijde wenschen heeft te berde gebracht, die onmogelijk door de Duitschers konden worden toegegeven en dus moesten worden afgewezen; maar de denkbeelden die aan onze zijde omtrent zekere quaesties bestaan, worden in de toelichting niet te berde gebracht en dus ook niet op krachtige en behoorlijke wijze verdedigd.

Als voorbeeld van hetgeen ik zooeven over onmogelijke wenschen

Sluiten