Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelegen; en dat, wanneer zij meent dat de vrouw in Duitschland zal kunnen blijven, de Duitsche Regeering billijk is in haar eisch dat de Nederlandsche Regeering die vrouw geldelijk ondersteune. Noch in het eene. noch in het andere geval acht ik dat men handelt volgens de Nederlandsche opvatting, volgens welke men er niet aan zou denken de vrouw uit te zetten, dus ook niet om ondersteuning voor haar te vragen van een vreemde Regeering.

Het geval van uitzetting van eene weduwe, die in het vermelde e,eval verkeeit, doet zich bij ons niet voor. De geachte afgevaardigde noemde een nieuw geval, dat. mij onbekend is, maar ik betwijfel of het geheel juist is voorgesteld. Uit mijn praktijk is mij niet bekend dat de Nederlandsche autoriteiten in zulk een omstandigheid hebben geweigerd die vrouw hier te houden en op liefdadige wijze te verzorgen; terwijl het de opvatting van het Departement van Buitenlandsche Zaken schijnt te zijn, dat het Rijk in zulk een geval een soort van Rijksarmenzorg zou moeten uitoefenen in het buitenland, iets waartegen de Duitsche Regeering misschien geen bijzonder bezwaar zou hebben, maar waartegen de Nederlandsche Regeering in enkele gevallen wel, en m. i. te recht, bezwaar heeft gemaakt.

Naar mijn gevoelen had men bij de behandeling van het verdrag in de commissie liet oog moeten vestigen op zulke gevallen. Men heeft in het Voorloopig Verslag slechts één geval genoemd, maar ik zou zelfs veel verder willen gaan en nog andere categoriën willen noemen. Het standpunt van het Departement van Buitenlandsche Zaken in de Memorie van Antwoord is hierbij, dat men niet kon klagen over onbillijke behandeling, omdat het het rccht is van de Duitsche Regeering zulke personen uit te zetten.

Het standpunt, bij de verdediging van art. 2 van liet verdrag, is echter een geheel andere. Daar wil men het doen voorkomen, alsof in art. 2 een zekere beperking wordt gegeven van de uitoefening van dat recht. Wanneer dit nu werkelijk het geval is, dan vraag ik: waarom zou men van Duitsche zijde bezwaar moeten hebben, de uitoefening van het recht, dat zij ongetwijfeld bezit, om zulke personen over -de grenzen te zetten, ook aan een zekere beperking te onderwerpen? Wanneer men dit inziet, dan zal men, geloof ik, ook inzien dat de commissie had moeten nagaan de verschillende gevallen, waarin zulke onbillijkheden zich kunnen voordoen en had moeten trachten in eenige categorieën samen te brengen de gevallen, waarin de Duitsche Regeering zou moeten afzien van de uitoefening van haar onbetwistbaar recht.

Ik zie in het feit, dat men volstrekt geen poging heeft gedaan, om het werk in die richting te leiden, één van de redenen, waarom ik meen, dat bij de vaststelling van dit verdrag de Duitsche opvatting heeft gezegevierd.

Thans wensch ik een woord te zeggen over hetgeen gebeurd is bij de quaestie over de ,,polizeilichen Grande". Art. 2 is zóó algemeen gesteld, dat ik mij niet herinner één geval — vooral niet onder die gevallen, welke hier te lande door de wijze van handelen der buitenlandsche autoriteiten eenigen wrevel hebben opgewekt — dat niet gemotiveerd is geweest met een van die gronden die is

Sluiten