Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

<le Regeering en ons geluk wensch, dat wij een dergelijk Iraetaai met Duitsehland hebben kunnen erlangen.

De heer van Tets van Goudriaan, Minister van Buitenlandsche Zaken: Mijnheer de Voorzitter! Het wil mij voorkomen, dat de geachte leden dezer liooge Vergadering, die van gevoeien zijn. dat liet den 17den December 1904 met het Duitsche Rijk gesloten vestigingsverdrag ten aanzien der vestiging geringe waarborgen zoude verschaffen, niet genoegzaam in het oog houden dat dit verdrag de vrucht is eener dading tusschen de beginselen die aan bestuur en wetgeving in beide landen ten grondslag liggen en onderling aanmerkelijk verschillen, terwijl zij die zich niet vereenigen kunnen met hetgeen Duitsehland zich heeft voorbehouden ten opzichte van personen die niet aan hun militaire verplichtingen hebben voldaan of in 't openbaar zich beroemen dat zij slechts geringe militaire plichten hebben te vervullen, mij toeschijnen zicli niet genoegzaam rekenschap te geven, dat de militaire dienst in Duitsehland oneindig zwaarder op de Duitsche onderdanen drukt dan de dienstplicht in Nederland op de Nederlandsche onderdanen. Daarom is het voor Duitsehland noodzakelijk te waken tegen ontduiking van den dienstplicht door verhuizing naar elders, gepaard aan verwerving eener andere nationaliteit. Zoo kunnen ook in eenige Duitsche gemeente gevestigde Nederlanders, door in t openbaar herhaaldelijk de aandacht der bevolking te vestigen op de geringe en kortstondige militaire diensten die van hen gevorderd worden, tot verzet tegen de militaire wetgeving of tot haar ontduiking ongetwijfeld aanleiding geven, en is het niet onnatuurlijk dat men daar te lande zich zekerheid verschaffen wil dat de reden waarom een persoon van nationaliteit veranderd is op een oogenblik toen hij zijn militaire verplichtingen nog niet of slechts gedeeltelijk had vervuld, niet is geweest de zucht om zich of zijn kinderen aan die plichten te onttrekken.

Nu zijn er ook bezwaren gemaakt tegen de uitdrukking „openbare orde". De geachte afgevaardigde uit Noordholland heeft er op gewezen, dat de verstoring van of het handelen tegen de openbare orde soms aanleiding geeft tot zeer zware, soms tot zeer lichte straffen. De Regeeringen zijn echter niet verplicht de wederzijdsche' onderdanen die zich in haar gebied metterwoon hebben gevestigd naar hun land terug te zenden, wanneer deze zich tegen de openbare orde hebben vergrepen. Zij hielden zich daartoe slechts de bevoegdheid voor en uit den aard der zaak moest aan de Overheid in elk land worden overgelaten om zich rekenschap te geven of eenig misdrijf of eenige overtreding tegen de openbare orde in een gegeven geval het onvermijdelijk noodzakelijk zal maken den persoon, die zich daaraan schuldig maakte, liet verblijf binnen de landpalen te ontzeggen. Eenige ruimte in deze kan niet wel gemist worden. De voor 's lands belangen en veiligheid verantwoordelijke Overheid moet, wanneer de omstandigheden het vereischen, vreemden, wier verblijf binnen het grondgebied tot binnenlandsclie onlusten of buitenlandsche verwikkelingen aanleiding zoude kunnen geven, kunnen wegzenden.

Sluiten