Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De mensch is voortgegaan met zijn zaaien. Daar was een steenrots in het land, waarover de ploegschaar wat gronds geworpen had. Eenige korrels zijn daarop gevallen : maar de grond was te ondiep: de harde rots was daaronder, en daar was geen water. Het zaad is opgeschoten, maar spoedig verdord : en zoo is dit ook tot niet gekomen.

De mensch is voortgegaan met zijn zaaien. Hier heeft hij zijn land niet degelijk schoon gemaakt: een doornboschje staat daar nog; en eenige korrels vallen daarin. De grond is hier goed en diep en vochtig genoeg: maar daar is geen plek voor het zaad om te groeien midden in het boschje. Het boschje groeit te sterk en het verstikt het zaad, en het gezaaide is dood gegaan.

De mensch is voortgegaan met zijn zaaien. En het overige van zijn zaad is gevallen op de zachte, diepe, schoone, vochtige aarde: is opgeschoten, en heeft honderdvoudige vrucht voortgebracht.

Al het zaad was hetzelfde,—goed: al de grond was niet dezelfde,—deelen waren slecht voor het gezaaide : daarom heeft niet al het zaad vrucht voortgebracht. De schuld was niet in het zaad dat het verloren gegaan is : de schuld was in den grond die niet behoorlijk bereid was.

Onze Heer waarschuwt, " Wie ooren heeft om te hooren, die hoore" en versta; en Hij geeft Zelf de uitlegging, de diepe beteekenis, van deze gelijkenis. Het zaad is het Woord van God. De zaaier is onze Heer Zelf en Zijn Priesters die in Zijn Naam zijn uitgezonden. Zij zaaien het Woord van God wanneer zij den Bijbel tot ons lezen, en wanneer zij prediken en katechiseeren : en het zaad, dat is, het Woord, valt op onze harten. Al het zaad is goed : maar al onze harten zijn niet goed.

Hier is een hart dat niet goed is : het is gelijk het voetpad, dat hard geworden is door dat menschen heen

Sluiten