Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den duivel, tegen de zonden van ons volk, onze gemeente, onszelven. Soldaten, eer zij ten oorlog trekken, worden gewoonlijk toegesproken door hun Komandant: dus in den Zendbrief vermaant ons S. Paulus, als een medestrijder met ons, om braaf te zijn, om te gedenken aan de weldaden van verlossing en genade ons alreeds geschonken, dat wij dezelven niet te vergeefs zouden ontvangen hebben, om te gevoelen wat vertrouwen op ons gesteld wordt en onszelven waardig daarvan te betoonen. In de woorden, " Dat gij de genade Gods niet te vergeefs moogt ontvangen hebben," worden bijeen gebracht al de vermanings van Septuagesima, Sexagesima, en Quinquagesima. Door genade zijn wij toegelaten tot de loopbaan : door genade zijn wij opgenomen in den wijngaard : door genade is het Woord in ons gezaaid : daarom laat ons toezien dat de genade niet te vergeefs is gegeven. In het Evangelie wordt onze Heer Jezus Christus ons voorgesteld als ons Voorbeeld, Die alles om onzentwil gedaan heeft, niet alleen in dat Hij voor ons gestorven en verrezen en opgevaren is, maar ook in dat Hij voor ons gedoopt is, en gevast heeft, en verzocht is. Op de laatste drie Zondagen werden wij geleerd hoe wij ons moeten bereiden voor dit groot komando; en de Collect voor Asch-Woensdag, welke dagelijks in de Vasten gebruikt wordt, leert ons hoedanige dienst van ons vereischt wordt op dit komando : het is een dienst van boetvaardigheid, en wij kunnen dezelve zelfs niet beginnen zonder Gods hulp. " Schep en verwek in ons nieuwe en verslagene harten." En wij moeten dit werk van boetvaardigheid tot voltooiing brengen, niet half klaar laten. Dus, ons groot werk gedurende de Vasten moet wezen, ons waarlijk te bekeeren van onze zonden. Natuurlijk, wij behooren altoos ons te bekeeren : zoodra wij eenige zonde gedaan hebben, behooren wij daarover berouw te hebben, en te trachten met Gods hulp dezelve niet weder te doen. Elk maal dat wij deel nemen aan de

Sluiten