Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gekomen, op haai' knieën gevallen en Hem aangebeden, zeggende, "Heer, help mij." Een kort gebed, doch voldoende om haar geloof te bewijzen, en ons tot voorbeeld te wezen. In eenig schielijk gevaar, als een scherp woord op onzen tong is, als verzoeking dreigt, kunnen wij ook dat kort gebed opzenden, en het zal zijn antwoord brengen.

Het behaagde onze Heer deze vrouw nog verder te beproeven, want Hij zag hoe groot was haar geloof, en wou het verder versterken, en haar de gelegenheid geven hetzelve te betoonen. Geen schijnbaar verstooting, geen gebruik van een Joodsche spreekwoord dat haar bij een hond vergeleek, zou haar mismoedig maken. In hare diepe ootmoedigheid zou zij het schimpwoord " hond " voordragen als een reden waarom zij moest verhoord worden : " Als ik dan maar als een hond gerekend word, geef mij eens honds deel, de brokjes die er vallen van de tafel van hunne heeren." Onze Heer was weltevreden met haar geloof in Gods liefde en kracht, haar aanhoudendheid, haar ootmoedigheid, en haar vertrouwen op Zijn barmhartigheid. " O vrouw," zeide Hij, " groot is uw geloof; u geschiede gelijk gij wilt. En hare dochter werd gezond van diezelve ure."

Wij leeren uit haar voorbeeld dat als wij begeeren dat God ons moet helpen, moeten wij Hem vertellen wat ons kwelt en tekort komt, niet teleurgesteld worden als het antwoord niet meteens komt, maar aanhouden vragen. Als wij den duivel in onze harten ingelaten hebben, als wij hem de vrijheid gegeven hebben onze lichamen voor zonde te gebruiken, hebben wij geheel en al Gods kracht noodig om hem uit te jagen en ons weder schoon en rein te maken. Gelijk deze vrouw, moeten wij ootmoedig zijn, God aanbidden, en aanhouden in gebed.

C. 61 ; E. 63; L. 206 ; A. 60, 62, 70, 133, 220, 263, 326, 354. 355-

Sluiten