Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VIJFDE ZONDAG NA PASCHEN.

" Voorwaar, voorwaar zeg Ik u : Al wat gij den \ ader zult bidden in Mijn Naam, dat zal Hij u geven."—s. Johannes xvi. 23-

" Zijn bijzondere genade, om welke gij Hem te allen tijd moet leeren aanroepen met ijverig gebed."

" En dit vertrouw ik dat Hij door Zijn genade en goedertierenheid doen zal, door onzen Heer Jezus Christus ; en daarom zeg ik Amen, het zij zoo."

Wij naderen tot het slot van den Paaschfeest-tijd. Aanstaanden Donderdag zullen wij een ander Feest vieren, namelijk, Hemelvaartsdag, den Dag toen onze Heer opgevaren is ten Hemel. De Apostelen hebben den Heer zien opvaren, en nadat Hij uit hun gezicht was, hebben zij Hem aangebeden. Op Donderdag aanbidt de Kerk haar opgevaren Heer. Het is een groot Feestdag, en wij moeten, zoo mogelijk, onze dagelijksche bezigheid laten staan, en Hem in Zijn Kerk komen aanbidden, en Gezangen zingen tot Zijn eer; en allen, die bevestigd zijn, behooren te trachten Hem aan te bidden vóór Zijn Altaar in de Heilige Communie.

Toen onze Heer opgevaren was ten Hemel, waren de groote veertig dagen over. Gedurende dien tijd had Hij Zijn Apostelen onderwezen aangaande Zijn Koningrijk de Kerk. Hij had hun gezegd dat ofschoon Hij ten Hemel moest opvaren, nogtans zou Hij Zijn Kerk niet verlaten ; Hij zou altoos met haar onzienlijk tegenwoordig wezen, en elk lid zou altoos tot Hem kunnen spreken. Gebed is tot God te spreken. En

Sluiten