Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blij met haar. Zoo is het wanneer menschen minnelijk en onzelfzuchtig zijn : zij zijn blij als andere menschen blij zijn, en zij zeggen zóó. Maar als zij onvriendelijk en zelfzuchtig zijn, dan zeggen zij, " Wat raakt dit mij ? dit gaat mij niet aan."

Onze Heer wijst ons de beteekenis ook van de tweede gelijkenis in het Evangelie voor van daag. De vrouw beteekent de Kerk, die moet zorg dragen voor de zilveren pennings van Christus. Deze zijn de leden van de Kerk. Wij zijn gelijk dé zilveren pennings. Beschouwt een "tikkie." Daar is des konings beeld daarop gedrukt, zijn naam en opschrift: zoo behoort het aan den koning. Gij zijt gelijk dit stuk zilver. Gods Beeld is op u gedrukt. Toen gij gedoopt werdt, werd Zijn Naam en opschrift op u gedrukt. Gij moet dat Beeld en Naam en opschrift schoon houden. Somtijds is een stuk geld zoo versleten dat gij kunt niet meer het beeld en naam en opschrift uitmaken. En somtijds zien wij menschen zoo zondig en veranderd van wat zij eens waren, dat zij des Hemelschen Vaders kinderen gansch niet meer gelijken; men zou hen geheel niet voor Christenen houden. Gij moet niet alzoo worden. Het stuk zilvergeld blijft blinkend en wit als het gedurig gebruikt wordt. Zoo moet gij doen het werk dat God u gegeven heeft om te doen, dan zult gij zijn gelijk een stuk zilvergeld waarvan het beeld en naam en opschrift schoon is. Het vierde gebod zegt, " Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen." Als gij niet werkt, maar wegrolt in een hoek, en ligt in het stof, zoekt de Kerk u op : de Priester of de Kerkdienaars zullen u vermanen, en trachten u wederom bruikbaar te doen worden : en de Kerkklok luidt in uw ooren en zegt, " Sta op, kom en dien God." De vrouw heeft een kaars ontstoken, en de Kerk bedient het Woord van God en de Sacramenten, waardoor zondaars verlicht worden om hun pad naar God te zien.

Sluiten