Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doodslager en is strafbaar door het gericht: dit is de letter van het Gebod. De innige beteekenis, wijst ons onze Heer, is vooreerst niet toornig te zijn zonder oprechte oorzaak : dan, niet uit te schelden, niet toornige, beleedigende, verachtende woorden te gebruiken. Onze Heer belet aldus hartenmoord en tongenmoord zoowel als handenmoord. Daarom in de Avondmaalsdienst bidden wij, " Heer, ontferm U onzer, en neig onze harten om dit Gebod te onderhouden." En de Katechismus, in de uitlegging van dit Gebod, leert ons " niemand door woorden of daden te beleedigen, en geen boosheid of haat in ons hart te voeden." Ofschoon wij niet moeten toornig worden zonder oprechte oorzaak, nogtans moeten wij toornig worden als daar oprechte oorzaak is. Ouders moeten tóornig worden op hunne stoute kinderen en ze straffen. Als wij iemand zien een stom dier mishandelen, of zonde doen, of God en Zijn Kerk onteeren, of de zwakken en hulpeloozen onderdrukken, moeten wij toornig worden en ze beletten: ja, als wij zeiven zonde doen, moeten wij op onszelven toornig worden. Maar zoodanige toornigheid is niet ruzie maken.

Onze Heer gaat even dieper in Zijn uitlegging van dit Gebod. Hij zegt: " Zoo gij dan uwe gave zult op het Altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt dat uw broeder iets tegen u heeft; laat daar uwe gave voor het Altaar, en ga heen, verzoen u eerst met uw broeder, en kom dan en offer uwe gave." De gave welke wij op het Altaar offeren is het geld, dat wij in de beurs zetten, en het brood en wijn voor de Heilige Communie. Als wij dan gedurende de Dienst onthouden dat iemand iets tegen ons heeft,—niet, dat wij iets tegen iemand hebben : dit moet alreeds afgedaan wezen,—wat moeten wij doen ? Onze Heer zegt niet, "Terwijl gij zoover gekomen zijt, blijf maar nu, offer uw gave, en na de Dienst ga en verricht de zaak " ; maar onze Heer zegt, " Laat daar uwe

Sluiten