Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

giffenis verkregen hebben, naar huis te gaan en onze handen te vouwen, en te meenen dat wij zalig zijn; maar dat zij bestaat ook in arbeid. " Ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen," zeide S. Paulus. Doch hij, de ootmoedige Farizeer, en deze, de ootmoedige Tollenaar, gevoelde hetzelfde : " Niet ik, maar de Genade van God die met mij is."

C, 131 ; Z. 91, 142 ; E. 60; A. 158, 200, 211, 218, 235, 260.

DE TWAALFDE ZONDAG NA DRIEËENHEID.

"Indien dan gij, die boos zijt, weet uwen kinderen goede gaven le geven, hoeveel le meer zal de hemelsche Vader den Heiligen Geest geven dengenen die Hem bidden?"—S. Lukas xi. 13.

" Gij zijt niet in staat om deze dingen van uzelven te doen, noch om in Gods Geboden te wandelen, en Hem te dienen, zonder Zijne bijzondere genade; om welke gij Hem te allen tijde moet leeren aanroepen met ijverig gebed."

Op de laatste twee Zondagen en ook van daag leeren wij omtrent Gebed. In de Collecten, Zendbrieven, en Evangeliën na Drieëenheid leert ons de Kerk onzen Plicht: maar in het midden van dit onderwijs komt, op drie Zondagen, het onderwerp van Gebed; omdat, zooals de Katechismus ons indachtig maakt, wij niet in staat zijn om onzen Plicht van onszelven te doen : wij hebben daartoe Gods bijzondere genade noodig: en om die genade moeten wij leeren aanroepen met ijverig gebed. Vóórverleden Zondag werden wij geleerd dat wij den

Sluiten