Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tieker Caroll Whaigt; staatsambtenaars, de drie grootste staathuishoudkundigen onzer dagen : Wagner, leeraar te Berlijn; SchaefHe, leeraar te Tubingue; Emiel de Laveleye, leeraar te Liuk. Staatsambtenaars ook om maar een enkel kunstenaar te noemen, Constantin Meunier, bestuurder van het academie van Leuven. Zoo hij niet deze zedige plaats bekleedde, zou hij wel, zonder te denken aan toegevingen opgelegd door de noodzakelijkheden van den verkoop, die heldhaftige en wrekende doeken kunnen penseelen, waar de burgers niet zouden van willen, omdat zij hartprangend zijn als de wroeging?

Het is waar dat in ons land — het paradijs der kapitalisten — de instellingen nog zeer zeldzaam zijn die aldus het recht op toevluchtsoord bekrachtigen. Maar zij zullenzich onvermijdelijk vermenigvuldigen naarmate de strijdende democratie haar politieken invloed zal zien klimmen en de tijd zal komen dat het niet meer noodig zal zijn kosteloos onnutters te onderhouden om vrijen tijd te geven aan een Jan Stas of een Quetelet. Kunstenaars en geleerden zullen geen renten meer moeten bezitten om bestaanmiddelen te hebben. Verschanst in het gemeenschappelijk domein zullen de eenen, stil als benedictijnen in hunne cel, zich kunnen wijden aan de zuivere theorie, terwijl de anderen vreugdig hunne gouden schichten zullen werpen naar de Philistijnen.

Anderzijds, wanneer de werking der wet of der werkstakingen aan de handswerklieden eenige uren vrijen tijd zal hebben geschonken, zullen de musea, de boekerijen, de gestichten van hooger onderwijs er niet weinig toe medehelpen om de bourgeoisie te onteigenen van haar geestelijk monopolium.

Ziet wat ervan nu af geschiedt in Engeland : de drij-achten zijn er bijna een voltrokken feit en de arbeiders beginnen geheel iets anders te zijn dan levende machienen : zij bezoeken de musea, de boekerijen, stellen belang in de ingewikkeldste vraagstukken. Het hooger onderwijs vervormt zich, de hoogescholen verplaatsen zich, een leger leeraren verspreidt zich in de nijverheidscentrums.

Eene pas verschenen brochuur over de reizende hoogescholen leert ons inderdaad dat de wevers van Manchester, de mijners van Durham, de metaalbewerkers van Noord-Engeland in groote menigte de leergangen van wiskunde, scheikunde of maatschappelijke huishoudkunde volgen en dat, zoo zij te ver van de stad wonen, waar de leergangen worden gegeven, zij twee of drij hunner makkers afvaardigen, die zij gelasten aanteekeningen te maken en hun dan zoo getrouw mogelijk de gegeven lessen te herhalen.

Is het, in tegenwoordigheid van dergelijke feiten, nog mogelijk

Sluiten