Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er bestaan integendeel nijverheden die allengs talrijker worden naarmate de kapitalen zich samentrekken, waar de bestuursarbeid maar een klein deel der profijten vertegenwoordigt en waarde persoonlijkheid van den ondernemer ophoudt zich samen te smelten met deze der kapitalisten: het is het gebied der naamlooze vennootschappen, bureaucratisch bestuurd door een loontrekkend personeel.

Het treffendste voorbeeld dat wij kunnen kiezen is de kolennijverheid. Verplaatsen wij ons naar het zwarte land : wij treffen er gansch een volk aan van arbeiders, met of zonder vereelte handen, werklieden, ingenieurs, koolmijnbestuurders. De eenen winnnen duizend frank, anderen honderd duizend; allen niettemin zijn loontrekkenden. Maar wat men niet ziet, wat niet schijnt te bestaan, dat zijn de eigenaars. Waar zijn zij ? Waar verbergen zij zich? Aan wie behooren de kolenmijnen ? Vraagt zulks aan dien ouden kolenmijner die ginds dwaalt, en hij zal u antwoorden als vader Bonnemort in Germinal: « Ik weet het niet... aan lieden! )> Lieden die men niet kent, die nooit op den buiten komen, die hunne renten in de stad verleven en die wellicht den mijnput niet weten liggen, waar hunne familie van vader op^zoon aandeelhouder van is.

Welnu! ik stel u deze vraag : Veronderstelt dat de gemeenschap deze aandeelhouders onteigent, de kolenmijnen doet terugkeeren tot het openbaar domein, op dezelfde wijze te werk ga tegenover al de nijverheden waar eigendom en arbeid volkomen zijn gescheiden, wat zal er dan veranderd zijn? Zal er eene ton kolen min op de wereldmarkt zijn? Zullen de getouwen stil liggen in de vlasspinnerijen, de self-actors in de katoenfabrieken? Zullen de arbeiders ophouden te puddlen, het metaal te pletten, lampglazen te blazen in de glasblazerijen, zullen de reusachtige kroezen ophouden de grondstoffen te verteren in de werkhuizen van scheikundige voortbrengselen? Neen ! wat er zal zijn veranderd, is dat een zeker getal parasieten — persoonlijk schadeloos gesteld — niet meer aan hunne belangwekkende nazaten de uitbuitingsmiddelen zullen kunnen overlaten, waarover zij beschikken; het is dat te beginnen van dit oogenblik de stroomen rijkdommen die den menschelijken arbeid doen ontspringen, in de kassen van den Staat of van de vennootschappen der arbeiders zullen vloeien, in plaats van zich te gaan uitstorten in de brandkasten der kapitalisten.

Het is daarom dat in al de nijverheden waar op groote schaal voortgebracht wordt, waar de kapitalen in enkele handen zijn samengetrokken, waar de onderneming bureaucratisch wordt bestuurd, de collectivisten de gemeenschappelijke toeëigening eischen van de voortbrengstmiddelen. De klein-nijverheid integendeel,

Sluiten