Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo groot niet meer; elk volk leefde weer op zich zelf, terwijl de Romeinsche keizers hunne bevelen over een groot deel van Europa moesten geven.

In de jaren 800—1300 na Chr., een tijdperk van overheerschend oorlogvoeren, bestond zoo goed als geen gelegenheid tot het verzenden van brieven. Geregelde koerierdiensten of bodeloopen waren schaarsch; de vorsten en machtigen zonden, indien zij zulks noodig oordeelden, particuliere berichtgevers uit, die gewoonlijk ook de brieven van anderen mede namen.

In den aanvang van de 14de eeuw werd, behalve van de vorstelijke boden, door het volk ook gebruik gemaakt van bedelmonniken, die van plaats tot plaats trokken, van rondtrekkende zangers, „troubadours" genaamd, en van handwerkslieden, die, om hun vak goed te leeren, het land doorreisden. Ook aan kooplieden, die de jaarmarkten bezochten, alsmede aan schippers en zeelieden werden brieven toevertrouwd. Uiteraard was deze wijze van vervoer gebrekkig.

De bisschoppen en kloosters hadden een eigen postdienst georganiseerd door monniken uit de kloosters met het vervoer der brieven te belasten.

Als brenger van allerlei nieuwtjes werd zoo'n kloosterbode in de dorpen, waardoor hij reisde, en in de kloosters, die hij bezocht, vol vreugde ontvangen. Menigmaal uitte die vreugde zich in een groot feestmaal, waarbij de bode zich gewoonlijk niet onbetuigd liet.

Voorbeeldig ingericht was de berichtenwisseling tusschen de Orde der Marianneridders, waarvan de hoofdzetel te Mariënburg was gevestigd, en den grootmeester dier orde te Venetië, alsmede met hare talrijke vestigingen in de verschillende provincies.

Bereden boden onderhielden een geregelden dienst tusschen de verschillende huizen dier orde, die in 1528 werd opgeheven.*

Ook de universiteiten hadden een eigen koerierdienst. De studenten toch waren, omdat het reizen zoo duur en moeilijk was, veelal niet in de gelegenheid om de vacanties thuis door te brengen en waar zij bovendien op tijd van geld moesten worden voorzien, was het zaak met hunne betrekkingen in gemeenschap te blijven, hetgeen door den universiteitsbode geschiedde.

De belangrijkste universiteitspost was die van Parijs, waar elke nationaliteit der studenten haar eigen bode had, die hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van tusschenboden de gemeenschap met het vaderland onderhield. De boden waren verdeeld in hoofdboden en bijboden (grands messagers en petits messagers).

Sluiten