Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wegen kostte in vlakke streken ten minste Vk cent per pikol-paal O (18 cent per tonkilometer), vaak stijgende tot 2'/i cent (27 cent per tonkilometer). In bergterrein was 37i k 4 cent per pikol-paal (37 a 43 cent per tonkilometer) een gewone prijs, die echter onder ongunstige omstandigheden dikwijls tot 5 a 6 cent per pikol-paal (54 a 64 cent per tonkilometer) steeg. (a)

Op de kleine rivieren, meestal slechts gedurende een deel des jaars bevaarbaar, waren de vrachten evenmin laag. Vijftien cent per tonkilometer werd daar een normale vrachtprijs genoemd.

De groote rivieren, waarvan er intusschen slechts twee, de Brantas- en Solo-rivieren, van beteekenis zijn, voldeden aan hoogere eischen.

Toch liet in het besproken tijdperk ook hier de geregelde bevaarbaarheid veel te wenschen over.

Alleen het gedeelte der Brantas-rivier beneden Modjokerto was het geheele jaar voor een omvangrijk vervoer geschikt. De vrachtprijzen bedroegen aldaar slechts 6 cent per tonkilometer.

Op de Solo-rivier waren in het jaargetijde, waarin zij met groote prauwen kon worden bevaren, de vrachtprijzen laag (27* a 31/» cent per tonkilometer), doch gedurende het grootste deel des jaars was de vaart beperkt tot houtvlotten en kleine prauwtjes.

Het zijn de toestanden, die omstreeks het midden der 19de eeuw bestonden, welke hierboven werden geschetst.

Bij vervoerprijzen als de bovengenoemde bleef uit den aard der zaak de goederenverplaatsing van en naar het binnenland beperkt tot artikelen van vrij hooge transportwaarde. Afgevoerd werden hoofdzakelijk de cultuurproducten. Eigenlijke inlandsche producten konden de hooge vervoerkosten niet dragen. Opgevoerd werden enkele importartikelen, zooals manufacturen, garens, metalen, gambir, maar bovenal zout.

Voor het voornaamste product van den bodem, de rijst, werd het vervoer over eenigszins belangrijken afstand te kostbaar. Het gevolg was dat, bij plaatselijke schaarschte aan voedingsmiddelen, op Java aanzienlijke verschillen in de rijstprijzen voorkwamen. Te Semarang kostte in 1860 de rijst / 18 a / 20 per pikol en tegelijkertijd in de residentie Preanger slechts / 1.50.

Het was intusschen niet de berustende Javaan, die zich rekenschap gaf van het gebrekkige der verkeersmiddelen. Het streven om in dien toestand verbetering te brengen ging uit van den Europeeschen landbouwondernemer. Deze gevoelde de daaraan verbonden bezwaren te krachtiger, naarmate het door hem aan de markt gebrachte product meer volumineus was. De uitbreiding der suikerindustrie deed derhalve het onhoudbare van den toestand het eerst inzien. Omstreeks 1860 kwamen de

(1) 4 pikol = 61,7613 kilogram; 4 paal = 1506,943 meter.

(2) Stieltjes, Rapport over verbeterde vervoermiddelen op Java, 1862. Onderzoek Vervoerwezen 1907, blz. 15.

Sluiten