Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd voor de verbinding van Semarang met Djokjakarta en Soerakarta een tracé over het gebergte aanbevolen. Dit advies is echter niet gevolgd. De aangelegde lijn vermi jdt door een omweg over Goendih en Solo zooveel mogelijk het bergterrein en heeft dientengevolge aan vervoervermogen veel gewonnen.

De spoorwijdte werd bepaald op 1.435 M., zijnde die, welke in Europa als normaal is aangenomen.

Alvorens op verdere plannen tot spoorwegaanleg in te gaan, deed de Regeering zich in het jaar 1871 door eene Commissie voorlichten, vooreerst omtrent de spoorwijdte, welke voor Java het meest gewenscht ware te achten, en in de tweede plaats omtrent de richting, welke voor de verder aan te leggen lijnen zou zijn te kiezen.

Vooraf was in 1869 door den Hoofdingenieur Kool en den Hoogleeraar Henket een rapport omtrent dit onderwerp uitgebracht. (')

Men kwam tot het besluit dat, wegens den goedkooperen aanleg, die daarvan in bergterrein het gevolg zou zijn, de keuze eener smallere spoorwijdte de voorkeur verdiende. Voor de verder te bouwen spoorwegen werd derhalve de spoorbreedte van 1.067 M. aangenomen. Dezelfde spoorbreedte is vervolgens voor de tramwegen toegepast.

De lijn Samarang-Vorstenlanden met den zijtak Kedoengdjati-Willem I (gezamenlijk 205 kilometer) en de later door dezelfde Maatschappij aangelegde tramweg Djokjakarta-Brossot (23 kilometer) hebben echter de spoorbreedte van 1.435 M., waardoor het doorgaand verkeer tusschen deze lijnen en de overige spoor- en tramwegen slechts met overlading mogelijk is.

De smalle spoorwijdte werd het eerst toegepast op den spoorweg van Batavia naar Buitenzorg (56 kilometer), waarvoor de Nederlandsch-lndische Spoorweg-Maatschappij in 1864 concessie verkreeg. In 1873 was deze lijn voltooid.

Wat de aan te leggen lijnen betreft werd bij de bovenvermelde Commissie van 1871 geene eenstemmigheid verkregen. Twee stamlijnen in de richting der lengte-as van Java werden voor de toekomst wenschelijk geacht; de meerderheid wenschte in de eerste plaats aanleg eener zuidelijke lijn van Buitenzorg over Bandoeng naar Djokja, verlengd door eene verbinding van Solo met Soerabaja; de minderheid meende aan eene lijn van Batavia naar Semarang langs de noordkust den voorrang te moeten toekennen.

Staatsaanleg werd door de Commissie ontraden; aanleg door particulieren met rente-waarborg door den Staat aanbevolen.

Niettemin was het gevolg van deze voorstellen en van de daaromtrent in Indië uitgebrachte adviezen, dat den 7 November 1871 aan de Staten-Generaal een

(i) J. A. Kool en N. H. Henket, Onderzoek in hoeverre de smalle spoorwijdte van 1 M. a 1.10 M. voor de behoeften van het vervoer op Java toe te passen en uit een economisch oogpunt aan te bevelen zoude zijn, Rotterdam 1870.

Sluiten