Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de inlandsche bevolking, die zich slechts over korte afstanden verplaatst. Uit dien hoofde werd niet op groote treinsnelheid gerekend.

De aanlegkosten der spoorwegen waren daardoor niet hoog. Van de Staatsspoorwegen waren de Oosterlijnen gebouwd voor gemiddeld ƒ 70 000, de Westerlijnen — in meer bergachtig terrein — voor ƒ 82 000 per kilometer. Voor die bedragen zijn spoorwegen verkregen, die bereden konden worden met eene snelheid van 40 kilometer per uur en aanvankelijk volkomen aan de behoeften van het verkeer hebben beantwoord. Bij het verhoogen der treinsnelheid in later tijd is het noodzakelijk gebleken den bovenbouw te versterken.

Niettegenstaande dus op Java een type van spoorwegen was gekozen, waarvan de aanleg- en exploitatiekosten in goede verhouding stonden tot den omvang van het verkeer, bleken die spoorwegen voor vele streken van Java nog te duur.

Op de kaart (Bijlage A) is aangegeven welke spoorwegen tot 1887 zijn tot stand gebracht. In dat jaar waren de lijnen der Staatsspoorwegen voltooid, welker aanleg bij verschillende wetten van 1875 tot 1884 was bevolen. Voor het verkeer geopend waren toen 1154 (') kilometer spoorweg. In de richting eener algemeene verbetering van het verkeer was daarmede echter nog slechts de eerste stap gedaan. Geheele gewesten waren nog van ijzeren wegen verstoken en ook daar, waar reeds hoofdlijnen waren tot stand gebracht, was het grootste deel des lands nog te ver van den spoorweg verwijderd om daarvan het volle nut te trekken.

, Zijlijnen, aansluitende aan de hoofdlijn, zouden het aangewezen middel zijn geweest om in laatstbedoelde leemte te voorzien, maar een voldoend vervoer om dergelijke lijnen rentegevend te maken was niet te verwachten, terwijl de Begeering ongenegen was om van de opbrengst der hoofdlijnen een deel beschikbaar te stellen, hetzij tot dekking van het verlies op aanvankelijk niet rentegevende zijtakken, hetzij tot het verleenen van subsidie bij aanleg door den bijzonderen ondernemingsgeest. Evenmin was zij bereid door eenige geldelijke opoffering den aanleg te bevorderen van lijnen in nog niet door de spoorwegen doorsneden gewesten, alwaar de rentabiliteit onzeker werd geacht.

In 1890 had het korten tijd den schijn, alsof de Regeering genegen was hare afwachtende houding te laten varen. Zij opende uitzicht op rente-waarborg voor vier — volgens het Koloniaal Verslag 1890 „hoogst gewenschte" — lijnen (a), te weten:

1. van Krawang over Karangsambong naar Cheribon (154 kilometer);

2. van Cheribon naar Semarang (245 kilometer);

(!) Hieronder is begrepen het 27 kilometer lange baanvak Batavia-Bekassie der hierna te vermelden Bataviasche Ooster-Spoorwegmaatschappg.

(2) Van de vier hierna genoemde lijnen is die, vermeld sub 3, later van Staatswege gebouwd; de lijnen 2 en 4 zijn in 1893 als stoomtramwegen in concessie gegeven; de verbinding, sub 1 bedoeld, is nog niet tot stand gebracht.

Sluiten