Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

internationaal goederenvervoer vereischte eenvormigheid. Met dit doel had men m

Europa aan de spoorwegen de bevoegdheid tot het vaststellen van eigen bepalingen

voor het goederenvervoer ontnomen. Hetzelfde geschiedde nu op Java door de bepaling van Art. 2 tweede lid van het Spoorwegreglement, luidende:

„Zij (de ondernemers van spoorwegdiensten) zijn niet bevoegd om hunne „verantwoordelijkheid voor verlies, vertraagde bezorging van- of schade aan koopmanschappen en goederen, noch den omvang en den duur hunner verplichtingen en den „bewijslast door eenig beding van den vrachtbrief of door bijzondere dienstreglementen „uit te sluiten of te beperken, dan met inachtneming der voorschriften van dit „Reglement."

Deze onbevoegdverklaring van den ondernemer schiep voor de Regeering de verplichting tot overneming van diens taak; zij moest in het Algemeen Spoorwegreglement niet alleen de voorwaarden, maar ook de administratieve behandeling van het goederenvervoer tot in bijzonderheden regelen.

Ook uit een technisch oogpunt was het Reglement te breed opgezet, daar het naar Europeesch model was samengesteld overeenkomstig de eischen van treinsnelheden, welke op Java niet voorkomen.

Het op den grondslag dezer wetgeving ingerichte spoorwegbedrijf bleek weldra in aanleg en exploitatie te duur voor toepassing op andere lijnen dan die, welke öf een zeer belangrijk verkeer hebben öf het vervoer over groote afstanden bedienen.

Een bij Staatsblad 1886 No. 67 ingevoerd Algemeen-Reglement voor den dienst en het vervoer op de secundaire spoorwegen in Nederlandsch-Indië, later gewijzigd bij Staatsblad 1902 No. 218, hield, met ondergeschikte afwijkingen, vast aan de beginselen van het Reglement voor de hoofdspoorwegen en vond dientengevolge weinig toepassing.

In Hoofdstuk I is beschreven hoe, als gevolg van deze belemmerende spoorwegwetgeving, de tramwegen eene zeer ruime plaats in het verkeerswezen van Java hebben verworven.

De Samarang-Joana Stoomtram-Maatschappij had reeds in 1881 de concessie voor hare stamlijn verkregen in een tijdperk, toen nog geen reglement den aanleg en de exploitatie der stoomtramwegen beheerschte.

Deze concessie, hierachter als Bijlage II afgedrukt, gaf de Maatschappij gelegenheid hare eerste lijnen onder weinig belemmerende bepalingen tot stand te brengen (Hoofdstuk III).

De concessie voor den stoomtramweg Poerwodadi-Goendih dagteekent uit hetzelfde tijdperk.

De overheidszorg strekte zich intusschen weldra ook tot de tramwegwetgeving uit. Aanvankelijk werd daarbij eene richting gekozen, weinig geschikt om de uitbreiding van dit verkeersmiddel te bevorderen.

Sluiten