Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De tramwegwetgeving sedert 1893.

[ij beschikking van den Minister van Koloniën van 13 October 1891

No. 42 werd aan eene Commissie, bestaande uit de Heeren Mr. A. E. Elias, J. H. Nivel en A. C. TJljee, opgedragen te dienen van advies omtrent de vraag of niet door wijziging van het Algemeen Tramwegreglement meer nut van stoomtramwegen ware te trekken en eene grootere plaats daaraan onder de verkeersmiddelen ware in te ruimen.

Aan den arbeid dezer Commissie, die den 19 Januari 1892 haar rapport (*) uitbracht, is de vrijzinnige geest te danken, die de

tegenwoordige tramwegwetgeving kenmerkt.

Op den 1 October 1893 trad deze in werking en, hoewel sedert herzien en uitgebreid, is in stelsel en strekking geene wijziging noodig gebleken.

De wettelijke regeling van het tramwegwezen voor openbaar verkeer is thans neergelegd in het Algemeen Reglement op den aanleg en de exploitatie van tramwegen met machinale beweegkracht, bestemd voor algemeen verkeer in Nederlandsch-lndië, vastgesteld bij Ordonnantie van 17 October 1905 Staatsblad No. 516 en in werking getreden den 1 Januari 1906, ter vervanging van het Algemeen Reglement, ingevoerd met Staatsblad 1893 No. 190.

Het doel der hieronder volgende bespreking van dit Reglement is voornamelijk het licht te doen vallen op datgene, wat aan de tramwegen, in tegenstelling met de spoorwegen, hun eigenaardig karakter verleent. Enkele onderdeelen der wetgeving, zooals de beschikking over de tramwegen in 'sLands belang (Artt. 7—10) en de regeling der verhouding tot andere werken van algemeen nut (Art. 13), zullen hier daarom buiten beschouwing blijven; evenzoo het politietoezicht en de strafbepalingen (Hoofdstukken YII en VITI).

(!) Rapport der door den Minister van Koloniën ingestelde Commissie voor de herziening van het Algemeen Reglement op den aanleg en de exploitatie van stoomtramwegen voor algemeen verkeer in Nederlandsch-Indië, 1892.

Sluiten