Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De wettelijke regeling van het tramwegwezen beoogt twee door hunnen aard geheel verschillende doeleinden, namelijk:

a. het stellen van regelen voor de uitoefening van den dienst uit een oogpunt van veiligheid en openbare orde;

b. de regeling der uit het vervoer voortspruitende rechtsverhouding tusschen den ondernemer en de te vervoeren reizigers en goederen, voor zooverre daarbij afwijking van het gemeene recht noodig is.

In de eerste plaats eischen de voorschriften de aandacht, welke ten doel hebben bij de uitoefening van den dienst de veiligheid en de openbare orde te verzekeren.

Bij de samenstelling van het Algemeen Tramwegreglement, zooals het thans luidt, was de leidende gedachte, dat de besparing op de kosten van aanleg en exploitatie, die voor de tramwegen onmisbaar is te achten, niet moet worden verkregen ten koste der veiligheid, maar wel door de treinsnelheid te beperken en met den invloed dezer beperking in allen deele rekening te houden.

Geleid door de ondervinding in Europa, bij den Staatsspoorweg ter Sumatra's Westkust en ook op Java zelf verkregen, meende men daar, waar de tramweg zonder afsluiting of afscheiding op of onmiddellijk langs den openbaren weg is aangelegd, eene treinsnelheid van 25 kilometer per uur zonder bezwaar te kunnen toelaten (Art. 59). Waar deze snelheid voor het algemeen verkeer of om andere redenen gevaarlijk wordt geacht, kan door het Hoofd van gewestelijk bestuur eene mindere snelheid worden voorgeschreven.

De bovenvermelde Commissie wees in haar rapport uitdrukkelijk op de omstandigheid, dat elders zelfs eene snelheid van 30 kilometer onder gelijke omstandigheden geen bezwaar oplevert, doch meende dat het aannemen van die snelheid als regel en onder de gewone omstandigheden, waarin het verkeer op de stoomtramwegen in Nederlandsch-Indië plaats heeft, vooralsnog als te ver gaand moest worden aangemerkt.

Intusschen werd terecht ingezien dat het verkeer langs de tramwegen over eenigszins belangrijke afstanden zonder noodzakelijkheid zou worden geschaad, indien bovenvermelde snelheidsgrens gehandhaafd werd ook daar, waar de veiligheid dit niet vordert. Dit is, zoo oordeelde in 1892 de Commissie, het geval op gedeelten van tramwegen, welke op eene vrije baan zijn aangelegd of die van den openbaren weg zijn afgesloten of ook slechts afgescheiden, mits de constructie van den weg en van het rollend materieel eene grootere snelheid gedoogt.

Voor die baanvakken kan de Directeur der Burgerlijke Openbare Werken vergunning verleenen om de snelheid tot een maximum van 40 kilometer per uur te verhoogen. Door dagelijksche schouwing (Art. 59), geheele of gedeeltelijke afsluiting (Art. 60), rijden op blokafstand (Art. 63), verhoogd remvermogen (Art. 64), middelen

Sluiten