Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Goendih-Soerabaja der Nederlandsch-Indische Spoorweg-Maatschappij heeft men getracht de naastingsvoorwaarden zoodanig in te richten, dat zij voor het doel inderdaad zullen kunnen dienen.

In de concessie der Serajoedal Stoomtram (23 December 1893) dragen de bepalingen van geldelijken aard een hoogst ingewikkeld karakter. De Regeering wenschte bevoegd te zijn den tramweg ten allen tijde, zelfs gedurende den aanleg, te naasten en daarbij zekerheid omtrent de te verkrijgen eigendommen en den daarvoor te betalen prijs. Dit doel is bereikt door de volgende bepalingen. Bij naasting verkrijgt het Gouvernement, behalve den tramweg, alle onroerende en roerende, voor de exploitatie gebruikt wordende goederen, welke bij het einde van het boekjaar, voorafgaande aan dat, waarin het voornemen tot naasting wordt aangekondigd, aan de vennootschap in eigendom toebehoorden. Een en ander wordt door den Staat verkregen tegen betaling van vijf en twintig maal het bedrag der gemiddelde jaarlijksche winst, gevormd door de uitkeering aan aandeelhouders, gemiddeld over tien, en de uitbetaalde rente, gemiddeld over drie boekjaren. Elk jaar wordt bij proces-verbaal de aldus berekende naastingsprijs vastgesteld. De naastingsprijs zal echter in geen geval meer bedragen dan, volgens de balans over het laatste boekjaar vóór de aankondiging der naasting, gevorderd wordt om aan de aandeelhouders eene uitkeering van 150 ten honderd over hun kapitaal te verzekeren. De magazijnsgoederen gaan tegen afzonderlijke betaling over.

De naastingsbepalingen voor de lijnen Semarang-Cheribon en Tegal-Balapoelang der Semarang-Cheribon Stoomtram-Maatschappij droegen volgens de eerste concessie (7 December 1893) hetzelfde karakter als die der Serajoedal Stoomtram.

Toen echter in 1900 aan dezelfde Maatschappij concessie werd verleend voor de lijn Cheribon-Kadipaten, was het niet mogelijk de winst der vennootschap als maatstaf ter bepaling van den naastingsprijs der lijnen Semarang-Cheribon en TegalBalapoelang te behouden en werd daarvoor in de plaats gesteld het bedrag, dat uit 'de opbrengst dier lijnen voor uitkeering aan aandeelhouders, alsmede voor betaling van rente en aflossing, is beschikbaar gesteld. Ook voor deze lijnen worden elk jaar bij proces-verbaal de gegevens ter berekening van den naastingsprijs vastgesteld, die echter beperkt is door de bepaling, dat de aandeelhouders geene hoogere uitkeering zullen ontvangen dan 150 procent over hun kapitaal volgens de laatste balans vóór de aankondiging der naasting.

In de concessiën voor de lijnen Djokja-Magelang-Willem I en Goendih-Soerabaja der Nederlandsch-Indische Spoorweg-Maatschappij en voorde lijn Cheribon-Kadipaten der Semarang-Cheribon Stoomtram-Maatschappij stemt de omschrijving van hetgeen de Staat bij naasting zal verkrijgen in hoofdzaak overeen met hetgeen de concessiën der laatst besproken lijnen daaromtrent bepalen. De naastingsprijs wordt echter naar een ander stelsel bepaald. De Staat zal het aanlegkapitaal van den weg, de getaxeerde waarde van het rollend materieel en de aanschaffingskosten der magazijnsgoederen terugbetalen, verhoogd met eene premie van tien (bij de lijn Cheribon-Kadipaten vijf)

Sluiten