Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Serajoedal- en Semarang-Cheribon Stoomtram-Maatschappijen.

[n Hoofdstuk I werd er reeds op gewezen dat het Algemeen Reglement

van 1893 aan de tramwegen de vrijheid hergaf, die zij voor hunne ontwikkeling behoefden. Van niet minder invloed op de lijnen, die daarna werden gebouwd, was de belangrijke rol, die door het „Algemeen Spoorwegplan" van datzelfde jaar aan de tramwegen werd toegekend. Voor de meeste lijnen werd aan de concessie de eisch verbonden, dat zij geschikt moesten zijn om door het materieel der Staatsspoorwegen te worden bereden (*). De technische inrichting had met deze

bestemming rekening te houden, waardoor bij den tramwegbouw een nieuwe richting moest worden ingeslagen.

De stoomtramweg in het Serajoedal en de kort daarna aangevangen lijn Semarang-Cheribon vertoonen — evenals andere later gebouwde lijnen — een nieuw

(!) Art. 7 van de concessie-voorwaarden der Serajoedal-lijn luidt: De spoorwijdte bedraagt 1.067 M.

De bovenbouw van den tramweg is van het tegenwoordige type der Staatsspoorwegen op Java. Behalve in bijzondere gevallen, ter beoordeeling van den Gouverneur-Generaal, wordt de minimumstraal der bogen vastgesteld op 200 M.

Bogen van kleiner straal dan van 70 M. worden in geen geval toegelaten.

Bogen van minder dan 200 M. straal moeten zoodanig aangelegd worden, dat het materieel der Staatsspoorwegen op Java, met een vasten radstand van 3 M., die, zonder bezwaar voor dit materieel, kunne doorrijden.

De bruggen moeten met volkomen zekerheid aan een asdruk van 8000 K.G. bij een radstand van 3 M. weerstand bieden.

Aan het rollend materieel worden centraalbuffers aangebracht in hoogte en constructie overeenkomende met die van het rollend materieel der Staatsspoorwegen op Java.

Art. 6 der concessie-voorwaarden voor de Semarang-Gheribon-lijn komt hiermede, behoudens kleine redactieverschillen, overeen.

Sluiten