Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op grond van het voorgaande is de Raad van eer van oordeel, dat de wijze, waarop de erven Mac Garvey hunne aandeelen met behulp van advocaten, een makelaar en een accountantsfirma aan den heer E. Deen hebben verkocht, dien verkoop stempelt tot een gewone zaak, tot „business", waarbij ieder verwijt van gebrek aan philantropie is uitgesloten.

De toestand, waarin de Anglo-Terek Petroleum Co., Ltd, ten tijde van den verkoop verkeerde, sluit in verband met den koopprijs en met de verleende optie ieder denkbeeld uit, dat de heer E. Deen misbruik zoude hebben gemaakt van treurige omstandigheden, waarin de weduwe van een in zijn dienst gevallen beambte verkeerde.

Het is niet waar, dat de heer E. Deen door zijne deelneming in de Anglo-Terek Petroleum Co., Ltd., winsten heeft behaald, welke die deelneming maakten tot een mooie zaak, welke „best een chèque aan de weduwe kon lijden."

Aan den heer E. Deen mag in dezen geen enkel verwijt worden gemaakt en dus ook niet het verwijt, dat hij in menschenliefde zoude zijn tekort geschoten.

Mitsdien is de Raad van -eer van oordeel, dat de verwijten, in dezen brief aan den heer Deen gemaakt, zijn ongegrond.

En is van deze uitspraak, welke is gedaan te 's-Gravenhage, den 4 Maart 1915, deze acte in vijfvoud opgemaakt, waarvan onder ieder der leden van den Raad van eer een exemplaar zal blijven berusten, en aan ieder der partijen een exemplaar zal worden uitgereikt, terwijl zij in afdruk ter kennis zal worden gebracht van het Correspondentiebureau te 's-Gravenhage.

(w. g.) A. C. VISSER VAN IJZENDOORN. (w. g.) D. BOS.

(w. g.) W. W. VAN DER MEULEN.

Sluiten