Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De lezing van de gedaagden.

waarheid" te moeten oordeelen. En toch is het een feit dat onze magistratuur — blijkens de uitlatingen van hare bekwaamste woordvoerders — hunkert naar het tijdstip, waarop zij door de wet beter in de gelegenheid zal worden gesteld om van de waarheid iets meer te zien,dan partijen haar gelieven voor te zetten. Indien de gedaagden den eischer niet gedwongen hadden ten minste iets over te leggen, zou de Rechter zelfs geen kennis hebben gehad van de door den eischer aangevoerde productiën.

De voorstelling, welke de gedaagden van de zaak geven, verschilt principieel en op alle beslissende momenten van die des eischers. De gedaagden lezen de toedracht aldus.

Al spoedig na de oprichting van Koelit, gevoelde deze maatschappij dringend behoefte aan versterking van kasmiddelen. Reeds in 1899 werden pogingen tot vermeerdering van bedrijfskapitaal aangewend, maar zonder gevolg. Na veel zoekens, was het een .promotor*', zekere Pinto, die de maatschappij in aanraking bracht met de firma Oppenheim & van Tiix. De onderhandelingen met deze firma waren van langen adem. Nu sprongen ze af, dan werden ze weder aangeknoopt. Niet één, maar wel drie of vier overeenkomsten werden met die heeren aangegaan. Maar de eene na de andere verviel, omdat de Haagsche firma verklaarde, in haar pogingen tot syndiceeren niet te zullen slagen. Maar eindelijk scheen het toch meenens te worden: de firma was beter gestemd en de overeenkomst van 21 Mei 1901 kwam tot stand. Edoeh — voor de zooveelste maal betrok de lucht. Binnen korten tijd — het zal begin Juni 1901 zijn geweest — kwam de heer Oppenheim weder te Amsterdam en verklaarde aan de directeuren dat zijne firma niet zou kunnen slagen: de algemeene toestand van de geldmarkt zag er alweêr ongunstig uit. Nieuwe besprekingen volgden.

De Directie scherpte haar vernuft. De heeren Brummer in privé en verschillende hunner bloed- en aanverwanten hadden aanzienlijk financieel belang bij de maatschappij, welker levensdraad dreigde te verworden, indien de leening niet tot stand kwam. Reeds voordat de overeenkomst van 21 Mei 1901 geteekend was, hadden de Directeuren moeite gedaan om, door het zoeken naar deelnemers, de taak van de Haagsche firma te verlichten. Zij slaagden daarin tamelijk wel, maar leidden de zaak aldus, dat de deelnemers de obligatiën rechtstreeks van Koelit namen. In de commissarissen-vergadering van 31 Mei 1901 (zie productie III van partij) kwam deze aangelegenheid ter sprake. Of de mededeeling dat toen reeds f 250.000 aan participatiën. was saamgebracht, niet te optimistisch was (vermoedelijk werden toezeggingen tot deelneming reeds beschouwd als vaste deelneming), kan onbesproken blijven. Maar in die vergadering werd door een der commissarissen gevraagd, of de deelnemers, of zij die toezegging tot deelneming hadden gedaan, allen voldoende gegoed waren. Het antwoord luidde, dat misschien enkelen wel eens uitstel van storting zouden verzoeken, maar dat de heeren Brummer voor dezulken borg zouden staan. Daarmede waren commissarissen gerustgesteld. De notulen van die vergadering zijn opmerkelijk, omdat zij de beweringen van den eischer hopeloos den bodem inslaan. De zaak is eenvoudig zóó: hadden de gedaagden in privé op 31 Mei 1901 ƒ250.000 obligatiën genomen, hetzij in het syndicaatOppeniieim & van Till (als wanneer zij in privé tegenover die firma tot storting verplicht waren), hetzij rechtstreeks van Koelit (in welk geval zij in privé tegenover Koelit tot storting gehouden waren), dan kon er nooit sprake zijn van borg staan tegenover Koelit: borgtocht miste dan allen zin.

Sluiten