Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Koelit neemt zelf f 300.000.

De draad van het betoog worde weder opgevat. Koelit vond een uitweg.

Deze maatschappij bezigde nl. een middel, dat in dergelijke omstandigheden herhaaldelijk gebezigd wordt. Voor wie in deze aangelegenheden eenige ervaring heeft, bevat het middel niets nieuws. De eischer echter heeft het niet begrepen.

Tusschen de Haagsche firma en Koelit werd nl. een afspraak gemaakt van dezen inhoud: de heeren Oppenheim & van Till zouden tegenover het publiek optreden alsof zij de géheele leening gesyndiceerd en van Koelit overgenomen hadden. Maar re vera zouden zij slechts ƒ 450.000 overnemen. De niet genomen ƒ300.000 zouden door Koelit zelf .genomen" worden, d. w. z. het werd beschouwd alsof dat bedrag geplaatst was. De ƒ300.000 obligatiën werden dus — gelijk de praktijk het noemt — obligatiën onder „syndicaatsverband". Maar om ze nu bij derden onder dak te brengen, zou de Directie pogen ze, voor rekening van de maatschappij, te plaatsen. De grondslag voor deze operatie was — blijkens de notulen der commissarissen-vergadering van 31 Mei 1901 — reeds gelegd: er waren bereids participatiën, in elk geval, toezeggingen. Uiteraard was het noodig dat de obligatiën door Koelit voor belangrijk minder dan pari werden geplaatst. Voor belangrijk minder. Want ook Koelit stond voor het feit dat hare obligatiën geen aantrekkingskracht op beleggers of speculanten zouden uitoefenen en dat men alleen kans had de stukken te plaatsen, als ze op zeer aannemelijke conditiën konden gelaten worden. En het behoeft geen betoog dat de Directie, die met de obligatiën den boer zou opgaan, een behoorlijke belooning moest genieten voor hare bemoeiingen, die wel wat buiten haar dagelijkschen werkkring vielen. Daarenboven, Koelit mocht bij haar colportage met de obligatiën, geen minderen koers dan de heeren Oppenheim en Rebel bedingen: anders ontstond er concurrence déloyale! Toch is een „standje" tusschen den heer Rebel en de Directie gerezen: de eerste beweerde dat de laatste hem bij een gemeenschappelijken vriend of bekende de loef afgestoken had. Men begrijpt nu waarom met de Baagsche firma moest overeengekomen worden, voor welken koers KoelhV de stukken nam. Zoo werd dan door de maatschappij bepaald, dat de Directie ƒ 250.000 voor 85 pCt. mocht plaatsen en ƒ50.000 voor 80 pCt. Het optimisme dat oorspronkelijk bestond, had echter de plaats voor pessimisme ingeruimd. In een vroeger stadium meenden de heeren Oppenheim & van Till nog dat op de leening grifweg door het publiek zou ingeschreven worden. In den tijd van de optimische stemming was het de vraag: wie het voorrecht zou mogen genieten een flinke syndicaats-participatie te nemen. Daarna, toen de stemming omsloeg, werd gevraagd, wie een participatie zou aandurven. De gedaagden, die den barometer oplettend waarnamen, hebben zich dan ook aan den veiligen kant gehouden. De faveur om in het syndicaat der Haagsche firma als groot-participant op te treden, hebben zij niet gebruikt. Zij waren .geslepen." De uitslag bewees dat hun „flair" juist was: de emissie werd een débacle, daar slechts voor drie stuks werd ingeschreven. Toch wilde de Haagsche firma niet met de ƒ 750.000 aan de markt komen, als dat bedrag niet in syndicaat „geplaatst" was. En vandaar het reeds geschilderde — en in de praktijk — niet onbekende expediënt. Koelit heette het restant van f 300.000 zelf genomen te hebben. Dat was een bloot formeele opzet. Ontdaan van alle franje, komt dat wezenlijk hierop neer, dat de maatschappij met dat bedrag bleef zitten. Maar zij bleef niet stilzitten

Sluiten