Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Beschouwing ■ der geproduceerde brieven.

post, te vinden op folio 237 van het journaal van Koelit (door eischer geproduceerd), waar de Directie (en niet de particulieren Brummer) gecrediteerd staan voor de overdracht (overboeking) van de 89 obligatiën naar portefeuille. De rekeningen „Syndicaat Directie Koelit" en „Dienst der obligatieleening" zijn hiermede in overeenstemming. De eerstgenoemde rekening is door eischer, de laatgenoemde door gedaagden (tekst der conclusie van dupliek) geproduceerd.

De gedaagden meenen niet mis te tasten wanneer zn' zeggen, dat de eischer de notulen van 16 October 1901 niet begrepen en daarom verkeerd gelezen heeft: blijkbaar verstond hij de technische taal niet, die in de vergadering gesproken werd.

Maar ook van elders blijkt duidelijk dat wel degelijk bij de plaatsing van obligatiën op last van Koelit werd gehandeld. De eischer was, door de judicieele houding van de gedaagden, gedwongen om eenige brieven in het geding te brengen . en te dien einde het kopieboek van Koelit ter griffie over te leggen. De gedaagden hebben aan dat kopieboek eenjg materiaal ontleend (zie in den tekst der conclusie van dupliek), hetwelk de eischer niet aangevoerd heeft, t. w. eenige brieven. Ten aanzien van de door partijen geproduceerde brieven ga eene algemeene opmerking yooraf : zij betreft de onderteekening. Brieven van de Directie uitgaande, plachten vóór de geschreven naamteekening van de Directeuren, een stempel (gewoonlijk in den bekenden blauwen stempelinkt) te dragen: „Naamlooze Vennootschap „Koelit", voorheen Brummer é Co., De Directie," of iets in dien geest. De stempel werd nu eens aangebracht nadat de brief reeds gekopiëerd was, dan weder vóór het kopiëeren. In het eerste geval werd natuurlijk de stempel niet in het kopieboek afgedrukt, in het laatste geval vaak zeer rudimentair, omdat stempelinkt geen kopiëerinkt is, en zelfs in het geheel niet afdrukt als de stempelinkt opgedroogd is. Het is dus weinig juist om uit het feit, dat, boven de geschreyen onderteekening, de woorden „Naamlooze 'Vennootschap „Koeliet", De Directie," in het kopieboek ontbreken, af te leiden dat in den uitgezonden brief de stempel niet boven de onderteekening stond. Overigens zal de inhoud der brieven van dienst kunnen zijn om uit te maken, of ze door een der gedaagden in privé of door de Directie geteekend zijn. De van beide zijden overgelegde brieven mogen thans in beschouwing genomen worden.

a. Brief 14 Mei 1901 van de Directie „Koelit" aan den commissaris Elias (prod. V van partij).

Is geschreven vóór de geboorte der overeenkomst van 21 Mei 1901, en speelt in een vroeger stadium der zaak. Bevat alleen de medeeling dat de particulieren Brummer een optie konden verkrijgen om voor f 250.000 in het syndicaat deel te nemen. Ware de offerte van de Haagsche firma (want de brief reproduceert niets meer dan een offerte) aangenomen, wat niet het geval is, dan zouden de gedaagden syndicataires van Oppenheim & van Till, maar niet tegenover Koelit aansprakelijk geworden zijn. Wat de eischer met dezen brief wil bewijzen, is niet duidelijk: de brief bevat schijn noch schaduw van bewijs dat de gedaagden obligatiën overgenomen hébben.

b. Brief 24 Juli 1901 aan Jhr. Mr. Elias (prod. VI van partij.)

De eischer beweert dat deze brief is geteekend door Albert Brummer, den particulier. Maar hierin vergist hij zich. Onder dezen brief heeft ongetwijfeld een stempel gestaan. Niet alleen wordt de meervoudsvorm gebezigd (wat voor Alb. Brummer in privé geen zin zou hebben), maar uit folio 370 van het kopieboek blijkt

Sluiten