Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brieven met verdraaiden inhoud, hebben doen zenden aan personen, die — volgens eischers stelsel — niets met Koelit te maken hadden, en dat deze personen allen zich zouden hebben laten vinden, om, tegen beter weten in, te betalen aan een maatschappij, aan welke zij niets schuldig waren en dit alles in 1901 .... met het oog op een proces dat in 1908 zou moeten worden beslist. Werkelijk, de gedaagden verdienen een monument voor hun miraculeuse gave om de toekomst te ontraadselen. Maar de participanten waren te schrandere menschen van zaken, om aan een onbevoegde te betalen, op verzoek van een onbevoegde!

f. Brief van 26 Juli 1901 van de Directie aan Oppenheim & van Tiix (prod. VIII van party).

Inderdaad blijkt hieruit dat de Haagsche firma met Koelit over 450 Obligatiën heeft afgerekend en dat de firma die obligatiën had overgenomen. Maar duister blijft het, wat dit bewijst voor de stelling dat de particulieren Brummer voor eigen rekening 300 obligatiën van Koelit genomen hebben.

g. Brief van 31 Juli 1901 aan Berkelbach van der Sprenkel (prod. IX van partij). Naar de eischer meent, moet dit schrijven zijn stelsel staven. Daartegen

worde het volgende aangevoerd. Vooreerst, dat deze brief bezwaarlijk kan te niet doen het schrijven der Directie van 25 Juli 1901 (zie onder e) aan denzelfden persoon. In laatstgenoemd schrijven werd tot B. v. d. S. gesproken (door de Directie) als schuldenaar van Koelit over 50 obligatiën. In den brief van 31 Juli wordt, en ziedaar de eenvoudige verklaring, in herinnering gebracht de afspraak die particulier tusschen B. v. d. S. en de gedaagden getroffen is. Het behoeft wel geen betoog dat de personen, die als Directie de maatschappij vertegenwoordigden, bevoegd waren om in privé met hen, die obligatiën van Koelit namen, zoodanige bedingen aan te gaan, als zij gewenscht achtten om den nemer tot deelneming aan te sporen. Zoo was het dan ook hier geschied. De heer B. v. d. S. had van Koelit 50 stuks genomen. Maar particulier hadden de gedaagden met dien heer een overeenkomst getroffen, waardoor zij zich privatim interesseerden bij zijne deelneming. Maar altijd zóó, dat hij persoonlijk tegenover Koelit aansprakelijk bleef, onverminderd natuurlijk zijn verhaal tegen de gedaagden, zoodra daartoe, krachtens de particuliere overeenkomst, termen bestonden. Aan B. v. d. S. wordt dan ook geschreven dat hij voor de storting heeft zorg te dragen. Men kan gerustelijk aannemen dat de brief den stempel heeft gedragen.

h. Brief van 10 September 1901 van de firma Wed. Gerbert Rebel, luidende

aldus:

Heeren Directeuren van de Naamlooze Vennootschap „Koelit", voorheen Brummer & Co., Alhier.

Mijne Heeren,

Teneinde in overleg te kunnen treden met het Bestuur van de Vereeniging voor den Effectenhandel, betreffende eene noteering der 5 pCt. obligatiën Uwer Vennootschap, n'oodigen wij U beleefd uit ons te doen geworden een door U geteekende opgave, welk bedrag van de door U gesyndiceerde obligatiën, door Uwe vrienden als belegging worden behouden.

Ook derden — en daaronder die het weten konden, want de heer Rebel was commissaris — gingen dus uit van de opvatting dat Directeuren, d. w. z. het representeerende orgaan van Koelit, en niet de particuliere Brummer, waren opgetreden. Op dezen brief wordt het antwoord gegeven bij het in de conclusie van

Sluiten