Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cijfers worden erkend. Het is een aanteekenboekje. Met welk recht de eischer hieruit afleidt, dat de gedaagden in privé de ƒ300.000 obligatiën namen, is niet helder. Hij verandert het woord «Directie'' willekeurig in „Albert en Adolf Brummer". Het boekje bevond zich onder de bescheiden van de maatschappij. Dat feit is teekenend. Het bevat overigens geen „boekhouding" maar alleen opgave van ontvangsten en uitgaven. Dat de gedaagden in privé bij deze zaak belang hadden, ligt voor de hand! Zij zelf en hun bloedverwanten waren èn bij het aandeelenkapitaal èn bij de obligatiën geïnteresseerd en voor hun bemoeiingen genoten zij immers belooning. En particulier troffen zij allerlei bedingen met derden, ten einde dezen te bewegen obligatiën van Koelit te nemen.

3°. Het afschrift van de notulen der commissarissen-vergadering dd. 31 Mei 1901 wordt voor richtige kopie en de inhoud als een over het algemeen juist relaas van het verhandelde erkend.

Maar het is verminking van den tekst, als de eischer uit die notulen wil afleiden, dat de gedaagden als principale schuldenaren „aansprakelijk bleven" voor vertraagde stortingen „op door hen geplaatste obligatiën." Deze notulen gaan dwars tegen het stelsel van eisch in en ... de eischer is eenigszins voorbarig. Want hij is tot nu toe in zijn bewijs nog niet zóóver, dat hij gestaafd heeft dat de gedaagden in privé obligatiën genomen hebben en hij ziet voorbij dat, volgens diezelfde notulen, de gedaagden slechts zouden „borg staan". Uit borgtocht is niet geageerd. Maar als de gedaagden in privé genomen hadden of zouden nemen (in considerans 3 der conclusie van eisch wordt gesteld dat eerst omstreeks 19 Juni 1901 de gedaagden obligatiën namen), kon er van borgtocht geen sprake zijn, want Koelit zou met de schuldenaren van de gebroeders Brummer niets te maken hebben! Het is duidelijk dat met borgtocht van de „Directie" is bedoeld die van de gedaagden. Daar echter de Directie de notulen niet gesteld heeft en dit buiten haar om geschiedde, zijn zij voor deze minder nauwkeurige uitdrukking niet aansprakelijk. Men heeft hier te doen met het eenige geval waarin het woord „Directie" ontwijfelbaar onjuist is.

4° Het afschrift der notulen van de commissarissen-vergadering van 16 October 1901 wordt voor kopie en inhoud erkend als onder 3°.

Bereids vroeger, toen de lezing der gedaagden werd ontvouwd, zijn deze notulen in beschouwing genomen. Hier kan men dus volstaan met de herinnering, dat de eischer de taal, die in de vergadering gesproken werd, niet verstaan heeft. In die vergadering was niet de aansprakelijkheid van wien ook, maar een quaestie van verantwoording aan de orde.

5°. Het afschrift van den brief der Directie van Koelit aan Jhr. Elias, dd. 14 Mei 1901 wordt voor kopie en inhoud als juist erkend.

Reeds in een ander verband is deze brief behandeld. Hoe de eischer uit dit schrijven van 14 Mei 1901 (hetwelk verslag geeft van een niet aangenomen aanbod van Oppenheim & van Till) kan afleiden dat de gedaagden in Juni 1901 obligatiën hebben genomen, is duister.

6°. \ De onder deze nummers aangehaalde brieven zijn reeds eerder 70 1 besproken. Aan die bespreking kan men zich thans wel gedragen, f Een enkele opmerking vinde nog hier haar plaats. Uit den brief der ( Directie aan de Haagsche firma, dd. 26 Juli 1901, blijkt zeker dat met de laatste over ƒ 450,000 obligatiën is afgerekend. Maar wat bewijst dit

10°. voor de stelling dat de gedaagden in privé ƒ 300,000 genomen hebben?

Sluiten