Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vaarom het kasboek van Koelii niet overgelegd ?

Bentebeding ?

verantwoord zijn f 743,455, l) wat grofweg neerkomt op ƒ 750,000. Nu weet de Rechter dat ten slotte niet 50 maar 89 obligatiën als onplaatsbaar naar portefeuille terruggegaan zijn. Die 89 stuks zijn derhalve onder de ƒ117,000 begrepen en daaruit volgt onmiddellijk dat de Directie nog plaatsingen tot een bedrag van ƒ 39,000 (rpnd) moet geannuleerd hebben, omdat zij de schuldenaren onsoliede achtte. Inderdaad is dit dan ook geschied.

Considerans 13.

Van deze beweringen is tittel noch jota gestaafd. Wel hebben de gedaagden, met een beroep op de brieven (zie conclusie van dupliek) van 19 en 25 Juli 1901, welke blijkens folio 370 van het copieboek der directie aan 14 personen, waaronder Berkelbach van der Sprenkel en Oostermeyer, gezonden zijn, bewezen dat deze personen van den aanvang af schuldenaren van Koelit waren.

De eischer, curator in het faillissement nog wel, is bitter slecht op de hoogte van de geschiedenis. De zaak is zoo. De genoemde heeren hadden zich, per de Directie, tot het nemen van obligatiën aan Koelit verbonden, evenals alle andere participanten tot wie de brieven van 19 en 25 Juli 1901 gericht werden. De meeste deelnemers voldeden aan het verzoek van Koelit om te storten wat zij schuldig waren. Het gold hier dan ook een tamelijk wel contante affaire, schoon natuurlijk faciliteiten verleend werden. Toen Berkelbach van der Sprenkel en Oostermeyer (de laatste is f 12,000 schuldig gebleven) ernstig in gebreke bleken, nam de Directie genoegen: voor zoover eerstgenoemde betreft, met een schuldbekentenis, verzekerd door de verpanding van een polis van levensverzekering en een borgtocht (voor een deel van de schuld) van Mr. van de Wall Bake; voor zoover laatstgenoemde betreft, met een accept van ƒ 12,000. Zoodoende werden de reeds bestaande vorderingen van Koelit versterkt. Zoodanig procédé komt in de praktijk eiken dag voor. Overigens is het een feit, dat Oostermeyer rente aan Koelit heeft betaald. Vermoedelijk blijkt dit uit het Kasboek. Waarom houdt de eischer dit achter?

Naar de ondergeteekende meent, is het den eischer niet gelukt zijne posita te bewijzen of die van de gedaagden te ontwrichten. Trouwens, aan dat laatste zou de eischer nog niets hebben, indien hij niet tevens zijn eigen beweringen waar maakt.

Is dus niet gestaafd dat de gedaagden, de particulieren, ƒ 300,000 obligatiën overgenomen hebben, van het bestaan van een rentebeding is evenmin gebleken. Zelfs al nam de Rechter aan, dat het bestaan van een obligo van de gedaagden als overnemers van obligatiën buiten allen twijfel gesteld ware, dan nog zouden de renteposten niet kunnen toegewezen. Hoe de eischer aan het door hem gestelde maar niet bewezen rentebeding is gekomen, laat zich gissen. De rekening „Syndicaat Directie Koelit" is belast met ƒ 997,44 rente, die op 31 December 1901 (zie de overgelegde extracten journaal) naar de Interest-rekening van Koelit overgebracht is. Maar die rente heeft niets met bedongen rente te maken. De zaak is zóó. De Interest-rekening van Koelit werd natuurlijk belast voor den coupon van de geheele leening en daardoor werd zij te veel belast voor de coupons der ongeplaatste stukken die op de rekening „Syndicaat Directie Koelit" naar portefeuille zijn afgeboekt. Om

') Men telle de in de notulen genoemde cijfers op. Waarin het verschil ad ƒ6,545 zit, is thans niet na te gaan. De qjfers waren ook maar ronde cijfers.

Sluiten