Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Subsidiaire verwering.

dit te veel „aus zu gleichen", maakte men een gebruikelijke (mondelinge mededeeling van den heer Th. Limperg aan Mr. Caroli) administratieve boeking, waarbij men, ten bate van de Interest-rekening de Directie belastte met dat te veel. De woorden „in rekening-courant" zijn gebruikelijk maar onjuist (Limperg).

De ondergeteekende roept 's Rechters opmerkzaamheid nog voor twee andere punten in.

Het eerste is dit.

In considerans 14 van dagvaarding en conclusie van eisch, wordt beweerd dat de gedaagden (d. z. de particulieren) zekere sommen in de kas van Koelit hebben gestort. Dit positum is, met het geheele stelsel van den eischer, ontkend: er is gestort (verantwoord) wat de Directie voor haar lastgeefster, de maatschappij, ontvangen had. De bij conclusie van dupliek geciteerde brieven zijn sprekend. Maar waarom houdt nu de eischer het kasboek van Koelit achter? Waarom legt hij het niet over?

Het tweede is dit.

In considerans 17 van dagvaarding en conclusie van eisch wordt gezegd, dat Berkelbach van der Sprenkel zekere betalingen „ter zake van voormelde obligatiën'' aan Koelit en aan den eischer heeft gedaan. Maar daarbij is niet gesteld dat die schuldenaar eerst later debiteur van Koelit is geworden. Dit positum komt eerst bij conclusie van repliek. Maar dan is het ook tardief. Daargelaten dat het van elk bewijs gespeend is. Wie aan den curator betaalt, wordt redelijkerwijze vermoed aan den gefailleerde schuldig te zijn.

Thans volge een andere beschouwing, inhoudende eene subsidiaire verwering. Gesteld al dat de eischer bewezen hadde — quod non — dat de gedaagden, als particulieren, f 300.000 van Koelit hebben overgenomen, en dus in hun privé schuldenaren van die maatschappij geworden zijn, dan nog zou hunne aansprakelijkheid opgehouden hebben te bestaan. In de thans te behandelen onderstelling staat de zaak dus zoo, dat overal, waar in de producfiën van „Directie" of „Directeuren" gesproken wordt, gelezen moet worden „Albert en Adolf Brummer", zoodat Directie of Directeuren niets anders dan een valschelijk gestelde aanduiding van deze particuliere personen is. Dat deze onderstelling onmogelijk juist kan zijn, worde nu maar daargelaten. Maar nog eens, zelfs in die onderstelling, zoude op de gedaagden geen aansprakelijkheid meer drukken. Want, gelijk het bij de conclusie van antwoord gesteld is, de maatschappij Koelit heeft in elk geval, blijkens hare boeken, verklaard dat op 31 December 1901 (en 1902) de gedaagden zich, ter zake der obligatiën, wel en deugdelijk verantwoord en gekweten hebben. Hier is dus geen beroep op schuldvernieuwing gedaan, maar alleen op het feit, dat de pretense schuldeischeresse Koelit hare beweerde schuldenaren Albert en Adolf Brukmer van de schuld ontheven heeft. Het bewijs van deze stelling wordt geleverd door de geproduceerde afschriften uit het journaal van Koelit. Deze afschriften zijn in het geding en behooren tot het proces-materiaal. Onder de even bedoelde afschriften vindt men dat van den volgenden post, onder den datum van 31 December 1901, voorkomende op folio 237 van het journaal van Koelit van 1901:

Sluiten