Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De curator gebonden aan de uit de boeken blijkende handelingen van den curandus, totdat hij die aantast met de middelen die de wet hem verschaft.

klaring kan men opkomen, b.v. op grond van valschheid. Maar zoolang dit niet geschied is, blijft zij bindend voor den eischer. Evenzeer als Koelit door hare in geschrift gebrachte wilsuiting gebonden was, evenmin als Koelit na de boeking de gedaagden had kunnen aanspreken, evenzeer is de eischer, die in de schoenen van Koelit staat, aan die wilsuiting gebonden, evenmin kan de eischer, bot tegen de schriftelijke wilsverklaring van Koelit in, de gedaagden aansprakelijk stellen. De boeking is het prima facie bewijs van ontslag der gedaagden die dus niets meer te bewijzen hebben. Wil de eischer tegen deze kwijting opkomen, dan zal hij een daartoe strekkende actie moeten aanhangig maken. Dat overigens de décharge niet gratis is gegeven, blijkt uit het feit dat Berkelbach van der Sprenkel en Oostermeyer als schuldenaren werden aanvaard. Dat deze twee zich ook jegens Koelit verbonden hebben, is reeds gebleken. Ten aanzien van eerstgenoemde is dat door den eischer erkend bij conclusie van repliek, ten aanzien van laatstgenoemde is zulks door den eischer erkend in zijn verslag, uitgebracht als curator van Koelit. Daarin leest men woordelijk: „De inschulden, geschat op ƒ64,016.46, zullen ook nog blijken verschillende non-valeurs te bevatten; eene vordering op de erven J. Oostermeyer ad f 12.000 schijnt ook nog al dubieus". Of désavoueert de curator thans zijn verslag ? Daarenboven geeft het journaal zelf aan, dat genoemde personen debiteuren van Koelit waren. Want er staat: Berkelbach v. d. Sprenkel per 1 Februari en Oostermeter per 5 Januari. Deze telegramstijl beteekent — men vrage het eiken accountant — dat de eerste op 1 Februari 1902 en de laatste op 5 Januari 1902 tot betaling aan Koelit gehouden was. Deze maatschappij erkent dus dat die twee hare debiteuren geworden waren en aan die erkentenis van Koelit is de curator van Koelit gebonden. Men vrage zich eenvoudig af: Wanneer Koelit niet gefailleerd ware en heden, 30 April 1908 nog bestond, zou zij dan met een actie als de door den eischer ingestelde, tegen de gedaagden kunnen slagen, indien die gedaagden, gelijk zij tegenover den eischer doen, zich op de eigen boeken van Koelit beriepen? Het antwoord kan niet twijfelachtig zijn. Slechts met een actie, gegrond op bedrog ef valschheid zou zij kans hebben. Wel te verstaan als het bedrog of de valschheid bewezen werd.

Hoe hopeloos de eischer rondwaart, blijkt nog uit considerans 15 van zijn conclusie van repliek. Daarin heet het dat „verklaringen, die gedaagden in de boeken van Koelit stelden of deden stellen, Koelit niet tegenover derden of tegenover gedaagden in privé bonden of binden." Hier schijnt een reeds gespeelde melodie op nieuw ten gehoore opgedragen te worden. De boeken van Koelit werden gehouden op last van de Directie, besturend en vertegenwoordigend orgaan. Is nu misschien, in het donker van den nacht, een falsaris het kantoor van Koelit binnengeslopen en heeft hij daar valsche posten in de boeken binnen gesmokkeld, buiten weten of goedkeuren van de Directie, de eischer zal het hebben te bewijzen. Met een goedkoope bewering richt hij niets uit. Heeft hij willen zeggen dat verklaringen, welke de Directie in de boeken deden opnemen, Koelit niet bonden, dan acht de ondergeteekende het niet noodig over eischers stelling (considerans 15, conclusie van repliek) één woord te zeggen. Want ze is in strijd met de wet.

Vergist men zich niet, dan ligt de quintessens in considerans 16. Daarin wordt inderdaad schoorvoetend toegegeven, dat de gedaagden, door de wilsverklaring van Koelit, bevrijd zijn. Want zoo heet het, een schuldvernieuwing zqu in strjjjd

Sluiten