Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen beroepen op de notulen der commissarissen-vergadering van 16 October 1901 en daarin — als men ze leest gelijk de eischer erroneus doet — staat alleen dat op 16 October 1901 (dus na de emissie van 15 Juli 1901) besloten werd dat 50 en niet 89 obligatiën naar Koelit zouden teruggaan. Er staat ook niet dat dit besluit een uitvloeisel is van een vroeger getroffen beding, van een beding dat gemaakt zou zijn toen de gedaagden pretenselijk f 300.000 „in privé" overnamen. In de lezing van den eischer, — welke hier weder voor een oogenblik als juist wordt ondersteld — is het besluit van 16 October 1901 niets dan een pure welwillendheid maar geen plicht tegenover de gedaagden. En bij de pretense overname in Juni 1901 konden zij bezwaarlijk weten wat in October 1901 zou besloten worden. Zij moesten er dus — tenzij ze in een „fools paradise" leefden — in Juni 1901 op rekenen, dat zij voor het geheele bedrag aansprakelijk bleven. Wel bezaten zij, in hun hoedanigheid van Directie, de macht om de maatschappij tot het verleenen van décharge te bewegen, maar de uitoefening van die macht zonder ruggespraak met commissarissen, zou tot een conflict met deze laatsten geleid hebben.

Dat de overeenkomst van 21 Mei 1901 en de vroegere offerte van Oppenheim & van Till den heeren Brummer de faveur verleenden om in hun syndicaat te participeeren, is nu alleszins verklaarbaar. Deze clausule, dagteekenende uit een ontwerp van veel vroegeren datum, uit een tijdstip dat men nog optimistisch gestemd was over een emissie, bleef in de latere ontwerpen en in de overeenkomst van 21 Mei 1901 behouden. Men schreef de clausule geregeld na. Maar even verklaarbaar is, dat de heeren Brummer voor de „faveur" bedankt hebben.

Dit geding is geen handelszaak. De gedaagden waren geen kooplieden.

In het onverhoopte geval dat de actie mocht worden toegewezen, zal de Rechter, naar de ondergeteekende vertrouwt, wel geen executie bij voorraad toestaan, zonder het bevelen van cautie.

NASCHRIFT.

Nadat deze nota was gesteld en ter drukkerij bezorgd, zijn van beide kanten nog eenige brieven in het geding gebracht.

Vooreerst door de gedaagden de volgende missives.

A. Brief van 19 Juni 1901, van Koelit aan de heeren Oppenheim & van Till te 's Gravenhage.

Deze brief is door genoemde firma aan den ondergeteekende in gebruik afgestaan. Inhoud:

Amsterdam, 19 Juni 1901. Den Heeren Oppenheim & van Till, 's Gravenhage.

• Mijne Heeren,

Overeenkomstig ons telephonisch onderhoud van hedenmiddag, bevestigen wij hierdoor onze overeenkomst, waarmede het syndicaat tot overname van

Sluiten