Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oostermeijer aan de Directie geschreven hebben, indien hij zich niet aan Koelit binden wilde?

De eischer beroept zich op de in dorso gestelde voorwaarden? Maar één ding staat vast en wel dit: dat Oostermeijer niet gebonden was aan Oppenheim & van Till. Maar daar geen schijn van bewijs bestaat dat hij zich aan de gedaagden (de particulieren) heeft verbonden en de eischer kennelijk beweert dat de man zich ook niet jegens Koelit verbonden heeft, is de grappige slotsonfdeze: dat Oostermeijer zich aan niemand zou gebonden hebben. Toch is de geschiedenis hoogst eenvoudig. De man had een formulier in zijn bezit en dit vulde hij eenvoudig in. Later versterkte hij zijn restantschuld (ƒ 12000) aan Koelit door een accept.

XI. Brief d.d. 27 Juli 1901, van Oppenheim & van Till aan Koelit.

Met dit schrijven beantwoordt de firma den brief van Koelit van 26 Juli 1901 (zie prod VIII van partij bij de conclusie van repliek).

In verband met deze missive staat

XIII. Een arbitrale (?) beslissing van 20 September 1901, gewezen door de heeren Rebel en Jhr. Elias tusschen de firma Oppenheim & van Till en „Alb. en Ad. Brummer". Hier is een in het oog loopende onnauwkeurigheid daar, zonder eenigen twijfel, het geschil gerezen was tusschen de Directie van Koelit en de Haagsche firma. De quaestie zelf was zeer eenvoudig. De maatschappij had zich verbonden een door de gedaagden (vóór de oprichting) op het gebouw Barentzkade gesloten hypotheek van ' ± ƒ 92000 af te lossen en zulks tegen inhouding van een circa gelijk bedrag aan aandeelen, welke den gedaagden toekwamen. x)

De heeren Oppenheim & van Till hadden aan Koelit, op rekening van het wegens de genomen Obligatiën te storten bedrag, de som ter aflossing voorgeschoten. Over de berekende rente en de provisie ontstond geschil. Met de uitspraak namen de Haagsche heeren, blijkens hun schrijven van 24 September 1901 aan Koelit, genoegen. De zaak heeft met het geding niets uit te staan.

XLT. Brief van Berkelbach van der Sprenkel aan de gedaagden, dd. 23 Augustus 1901.

Dit schrijven moet beschouwd worden in verband met den brief van 31 Juli 190|, door partij onder LX geproduceerd bij conclusie van répliek. Reeds vroeger werd uiteengezet (zie bl. 10 van deze pleitnota) dat door de gedaagden ook particulier een overeenkomst met Berkelbach was getroffen. Over de uitvoering was geschil gerezen. Maar tegenover Koelit stond B. v. d. S. als schuldenaar, behoudens zijn recht om van de gedaagden de uitvoering der particuliere conventie te treffen. Hier worde tevens herinnerd dat B. v. d. S. behoorde tot hen die van Koelit (niet van de gedaagden en ook niet van Oppenheim & van Till!) den brief van 25 Juli 1901 ontving (zie bl. 9 dezer nota), tot storting bij Koelit.

XIV. Schrijven van Oppenheim & van Till aan Koelit, dd. 24 September 1901. Reeds besproken onder XIII. Zonder belang voor het geding.

XV. Een schrijven van E. van Dien aan den eischer, dd. 2 Februari 1905. Dit document is merkwaardig.

Van Dien heeft de pretentie den Rechter een lesje in de rechlsgeleerdheid te geven. Hij beslist eerst — ten minste neemt implicite aan — dat voor „Directie"

J) Men zie de door ons geproduceerde Grootboek-Rekening van de gedaagden. In het debet zijn zij belast, maar daarentegen voor „aandeelen in portefeuille" gecrediteerd.

Sluiten