Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1909); in de meeste andere gevallen kan men naar analogie slechts tot een meer of minder groote waarschijnlijkheid komen van een dergelrjken samenhang. In het volgende geval

de zaak EIJKELENBOOM en KNOPPERS,

vindt men dezelfde methode, n.1. weer een bestrijding, die pas in de tweede instantie ernstig wordt, bet streven om aan te toonen, dat wat de veldwachters beweren, niet waar kan zijn, een opzettelijke leugen moet zijn, en dus het indienen van een meineedsklacht. Het verschillend resultaat, n.1. het eindigen der zaak met de veroordeeling der beide veldwachters tot twee jaar gevangenisstraf, zal wel in hoofdzaak daaraan moeten worden toegeschreven, dat deze zaak veel vroeger speelde, in een tijd toen men van Elk nog niet zoo goed keilde.

De feiten waren de volgende: Op 2 Oct. 1897 wordt aan van Elk medegedeeld, door de beide veldwachters Eijkelenboom en Knoppers, dat zij hem twee dagen te voren hadden zien jagen op verboden terrein. Tengevolge daarvan wordt van Elk voor den kantonrechter gedaagd, waar de verklaringen der veldwachters pertinent worden tegengesproken door van Elk en twee door hem voorgebrachte getuigen a décharge. Dadelijk na deze zitting wordt door van Elk een meineedsklacht tegen de veldwachters ingediend. Vervolgens was de uitspraak van den kantonrechter: het hooren van meerdere getuigen; en op grond daarvan werd ten slotte van Elk door den kantonrechter na een tweede zitting vrijgesproken.

Interessant is nu de redeneering van van Elk, waarmee hij zich verdedigd heeft. Hij was, volgens de verklaringen der veldwachters, door hen gezien, schietende op terrein, waar hij niet jagen mocht; op de plaats, vanwaar de veldwachters zeiden, hem gezien te hebben, waren zij gekomen door over twee planken te gaan, die over slooten lagen. Een dier planken bevond zich vlak bij een groep huizen, arbeiderswoningen.

Het was er van Elk nu om te doen, aannemelijk te maken, dat de veldwachters in het geheel niet over die plank waren gegaan, dat zij daarover niet hadden kunnen gaan, zonder gezien te worden. En hij brengt nu een reeks getuigen voor, die allen vertellen, dat zij geruimen tijd achtereen voortdurend buiten hebben gewerkt, vlak bij de plank, en de veldwachters niet daarover hebben zien gaan. Aldus komt van Elk tot de conclusie, dat waar dit gedeelte van hunne verklaring blijkbaar valsch is, ook het andere geen vertrouwen waard zijn kan. (Vermelding verdient hier, dat uit een andere getuigenis met vrij groote zekerheid is af te leiden, dat de veldwachters inderdaad over die plank zijn gegaan). Hij volgt hier dus precies dezelfde redeneering als bij Maarsman en de Korver: Maarsman kon de Korver niet zien, dus is zijn verklaring valsch.

Op grond van de zeer krasse tegenspraak tusschen de verklaringen der veldwachters en die der getuigen a décharge sprak de kantonrechter van Elk ten slotte vrij.

Het einde van van Elk's meineedsklacht was, dat na jaren strijd, waarin de rechtbank tot tweemaal toe de zaak niet naar de openbare terechtzitting wilde verwijzen, o.a. op grond van de overweging, dat de getuigen door van Elk voorgebracht, niet betrouwbaar waren, omdat van Elk de getuigen had bewerkt; na het schrijven van een brochure door van Elk; na het gelasten van een nieuw onderzoek door het hof te 's-Gravenhage, het eindelijk voor de rechtbank, anders samengesteld dan toen zij de veldwachters buiten vervolging stelde, tot een openbare behandeling kwam, waarbij de veldwachters tot 2 jaar gevangenisstraf werden veroordeeld, welk vonnis door het hof te 's-Gravenhage werd bevestigd.

Opvallend is in deze zaak de hardnekkigheid, waarmee van Elk is blijven strijden, zooals die in zijn eerste brochure zoo duidelijk aan den dag treedt, een hardnekkigheid, die volstrekt niet berust op beleedigd rechtsgevoel, maar slechts op zijn persoonlijk gevoel tegen de beide veldwachters, waarvan althans één (n.1. Eijkelenboom) hem reeds te voren eens had bekeurd.

Het is dezelfde hardnekkigheid, waarmee hij thans in de Papendrechtsche strafzaak steeds nieuwe getuigen naar voren brengt, met steeds nieuwe klachten komt, nu niet tegen twee veldwachters, doch thans tegen de politie in haar geheel.

Eindelijk het derde voorbeeld voor de strijdwijze van van Elk, n.1. j*^^

de zaak c*. ADRIANÜS DE HEER.

Weer vindt men hier het schieten over het doel heen, n.1. niet alleen het verdedigen van iemand, die zonder eenigen twijfel schuldig was, maar bovendien de poging om den

Sluiten