Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een dergelijke wijze van optreden als hier achtereenvolgens is beschreven voor drie gevallen, n.1. de zaak de Korver, de zaak Eijkelenboom en Knoppers, en de zaak de Heer, die alle dit gemeen hebben, dat door van Elk onjuiste beschouwingen zijn gehouden, die voor een gewoon verstand kant noch wal raken, doen de vraag opkomen,, in hoeverre kan worden aangenomen, dat van Elk hierbij te goeder trouw is geweest, of wel opzettelijk met onjuiste voorstellingen en drogredenen voor den dag komt.

Bij de opsomming der bij hem geconstateerde psychische afwijkingen werden o. a. genoemd zijn onjuist reproductievermogen en zijn gebrek aan kritiek, twee ziekelijke verschijnselen dus, door wier combinatie gemakkelijk zeer groote fouten in het denken verklaarbaar zijn. Dit staat dan ook wel vast, dat het hier geconstateerde berusten kan op deze twee elementaire afwijkingen, en het dus psychologisch niet dringend noodig is, nog een neiging tot bewuste onwaarheid daarbij te accepteeren.

Aan den anderen kant werd ook genoemd gebrek aan moreel gevoel (nivelleering van gevoel) en werd speciaal het voorbeeld van het schieten uit een gesloten rijtuig met tevoren gemaakte afspraak, waardoor een onderzoek vruchteloos moest worden gemaakt, aangehaald, om te doen zien, dat naast onjuiste reproductie en zwakte van oordeel als zuiver intellectuëele afwijking, ook nog een zekere graad van moreele zwakte bestond, die niet op die intellectuëele onvolkomenheden kan worden gebaseerd.

Vandaar dat evenzeer de mogelijkheid moet worden in het oog gehouden, dat een eventuëele onjuiste verklaring door hem gegeven, eenvoudig een onwaarheid is in den gebruikelijken zin van het woord, d.i. bewust onwaar.

Omtrent deze vraag is het niet mogelijk tot een algemeene conclusie te komen, in dien zin, dat men al wat van Elk onjuist meedeelt, geheel op het een of geheel op het ander kan schuiven.

Hoogst waarschijnlijk is echter dit, dat wanneer van Elk eenmaal met welk doel dan ook, opzettelijk van de waarheid is afgeweken, na eenigen tijd en meestal zelfs spoedig het voor hem zelfs niet meer duidelijk zijn zal, dat dit onwaarheid is, en dus datgene, wat eerst door hem is verklaard met het bewustzijn dat het geen waarheid was, later door hem zal worden meegedeeld als product van een ernstige, oprechte overtuiging.

Speciaal wordt men gedwongen tot de meening, dat van Elk's overtuiging eerlijk is, wanneer men zijn beschrijving leest van de zaak „de Heer" en het meest wanneer men de beschrijving dier zaak leest van zijn hand, zooals die voorkomt in het dossier van Mr. Wiarda. Bestudeert men die beide beschrijvingen na elkaar, dan vindt men in beide dezelfde redeneering en ook dezelfde conclusie, maar de tweede beschrijving is veel uitvoeriger, veel meer gedetailleerd, en veel scherper van uitdrukking. In de brochure (gedateerd April 1908) wordt over Bouterse's proces-verbaal vooral ironisch gesproken en het meest krasse, wat hij daar over Bouterse zegt is, na vermelding van de vrijspraak van „de Heer" op grond van een foutieven datum op de dagvaarding.

„De vrede was gesticht, beide partyen gingen rustig huns weegs, Bouterse zelfs blijmoedig!"

En een paar regels verder:

„Maar als Z. E. de Minister van Justitie het ambtseedig proces-verbaal van Bouterse „mocht willen doorlezen, zal Z. E. zich voorzeker wel bizonder vreemd, wellicht zelfs eenigszins onrustig gestemd gevoelen.

„Want ook uit geheel anderen hoofde dan inzake de bewuste jachtovertreding, was dit rproces-verbaal zoo uitermate bezwarend voor den bekeurde, dat alle clementie van de zijde van „het O. M. vooral, te eenenmale ongerijmd behoort te worden geacht".

Hier geen woord van het „beven als een riet" van Bouterse, het „nauwlijks meer kunnen „spreken", en het „hortend en stootend nog uitbrengen van wat nonsens". Dat komt eerst in den brief gedateerd 4 Maart 1910.

We hebben hier hoogst waarschijnlijk te doen met een in bepaalde richting sterker worden van praedomineerende voorstellingen in den loop van den tijd, zooals dat ook bij gezonde menschen in mindere mate bestaat, doch hier zeer sterk uitkomt. Maar omtrent de wijze waarop deze herinneringen in den loop der jaren zijn veranderd (de zaak werd reeds in 1904 behandeld) kan bij psychologen nauwlijks twijfel bestaan. De onjuiste reproductie van het 6 jaar geleden voorgevallene geschiedt zoo goed als zeker te goeder trouw. Voor van Elk heeft Bouterse inderdaad staan beven en stotteren, dat staat bij hem even vast, als thans ook wel eerlijk bij hem de overtuiging zal vaststaan, dat Bouterse toen meineedig is geweest. Of hij die overtuiging al had, tijdens de zaak behandeld werd, op het oogenblik dus, dat hij dat anderen aannemelijk trachtte te maken, is daarmee nog niet gezegd.

Sluiten