Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Langs welke wegen hij zijn invloed tracht te doen gelden, moge uit enkele voorbeelden blijken, die zich ons toevallig opdeden.

1°. Gr- Rijsdijk, die beweert na zijn arrestatie op een Zondagmiddag, 15 Juli 1906 te zijn mishandeld door Bouterse, deelt mede, dat hij in September 1907 een brief van van Elk heeft gekregen, waarin deze hem schreef, dat hij de zaak had onderzocht en hem beschreef, hoe hij gehoord had, dat de zaak zich had toegedragen, en vervolgens de vraag stelde, of dat de waarheid was.

Hij vraagt dus niet aan het vermoedelijk slachtoffer wat er gebeurd is, doch begint met te beweren, en vraagt dan slechts bevestiging of ontkenning. Suggestiever methode van onderzoek is niet denkbaar.

2°. Aan Evert Garsthagen, den vader van Hendrik Garsthagen, dien we ondervroegen met het oog op de verstandelijke ontwikkeling van zijn zoon, gelukte het ons eerst niet iets te ontlokken, dat geleek op een erkenning, dat zijn zoon Hendrik niet zeer verstandig is. Zoodra echter een van ons hem zegt, dat van Elk zich in die richting heeft uitgelaten, geeft hij toe, dat „Hendrik nog al heel dom is".

3°. Herhaaldelijk werd ons door verschillende getuigen medegedeeld, dat ze onmiddellijk na bij den Rechter-Commissaris (met of zonder deskundigen) te zijn geweest, komen moesten bij van Elk. Daar moesten ze dan precies verslag doen van alles wat gevraagd was.

De vraag moet nog gesteld worden, wie dien invloed ondervinden, en wie zich daarvan vrij weten te houden. Natuurlijk is het, dat eenvoudige menschen gemakkelijker door hem zullen worden geinfluceerd, dan personen van meerderen stand. En even zeker is het, dat men des te gemakkelijker zijn invloed zal ondergaan, naarmate men minder verstandelijk is ontwikkeld. Maar hoever gaat die invloed? Strekt hij zich alleen uit op verstandelijk minderwaardigen en ontkomt daaraan ieder, die een normaal verstand heeft, of ondergaan ook de doorsneemenschen dien invloed en zijn het alleen de meer dan gemiddeld met kritischen geest bedeelden, die hun oordeel van zijn invloed vrij weten te houden? En verder, zijn het alleen personen uit den arbeidersstand, die het afleggen tegen zijn aplomb en het groot aantal door hem geuite onbewezen en onbewijsbare beweringen, of geeft ook een hoogere beschaving, een gewoonte om ook met abstracte vragen zich bezig te houden, geen vrijbrief tegen de suggestieve kracht van dezen zieke? De volgende overwegingen mogen het antwoord leveren op deze vragen.

In de zaak Eijkelenboom en Knoppers tracht van Elk aan te toonen, dat het onmogelijk is, dat de veldwachters over een bepaalde plank zijn gegaan. Toch zijn beiden gezien door een derde op een plaats, die zij vrij zeker door over die plank te gaan, hebben bereikt.

Deze tegenspraak ten opzichte van de kern van van Elk's aanval is niet verwerkt bij de beslissing in de zaak. Wordt men niet gedwongen tot de voorstelling, dat hier te veel indruk is gemaakt door het aplomb, waarmee iets werd beweerd, te weinig door de innerlijke waarde der verklaringen? En ten tweede, waar twee veldwachters te zamen een bekeuring doende zonder grond, dus volgens een gemaakte afspraak, hunne verklaringen onder eede moeten doen, is het daar aannemelijk, dat ze niet van te voren overeenkomen, wat ze verklaren zullen? Is dan niet het feit, dat ze nooit precies hetzelfde verklaard hebben, niet een reden eerst aan elke andere mogelijkheid te denken, dan juist aan die van een valsche verklaring? Is het niet opvallend, dat in de door de twee veldwachters gedane verklaringen, aan de rechters slechts opvalt, dat ze niet hetzelfde zeggen, doch niet het feit, dat hun verklaringen niet tegenstrijdig zijn, zoodat beide tegelijk waar kunnen zijn, beide als deelen van een samenhangend geheel kunnen worden gedacht? Moet men niet bij zulke voor de hand liggende gronden voor twijfel er zich over verbazen, dat zonder die overwegingen de zekerheid van meineed wordt aangenomen, en moet men hier niet zoeken den onbewust werkenden suggestieven invloed van beweringen, verzekeringen, krachtuitdrukkingen, oneindige herhalingen en dergelijke strijdmiddelen meer, waaraan ten slotte zich de meerderheid der menschen niet weet te onttrekken?

En weer doen zich dergelijke vragen op bij de vrijspraak van van Elk, als hij dien hond doodgestoken heeft. Zonder iets te willen afdoen aan het juridische motief voor een dergelijke vrijspraak, vragen we alleen, zou het veel menschen gelukken, zich onder juist zulke omstandigheden te doen vrijspreken? En waar we die vraag ontkennend geneigd zijn te beantwoorden, moet het alweer het aplomb van van Elk's optreden zijn, dat dit resultaat heeft teweeg gebracht.

Uit het bovengezegde mag deze practische conclusie worden getrokken, dat van Elk, steunend op het intact zijn zijner in engeren zin intellectuëele vermogens, zooals dat bij de bespreking zijner psychische eigenaardigheden sub 6 werd uiteengezet, door de zekerheid van

Sluiten