Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ons op rood en blauw wijzend, hem toevoegt: „kom, dat weet je wel, dat is geel en dat is groen", antwoordt hij: „dat kan wel zijn, maar ik weet het niet".

Naar aanleiding hiervan werd voor alle zekerheid op kleurblindheid onderzocht. Dit geschiedde door hem een groot aantal strengetjes wol van verschillende kleuren en tinten voor te leggen, en hem te verzoeken al die strengetjes uit te zoeken, die in kleur overeenkwamen met een, dat hem als voorbeeld werd gegeven. Aan deze opdracht werd door hem zonder eenige moeite voldaan. Achtereenvolgens deed hij dat voor rood, geel, paars en eenige tusschenkleuren.

Hieruit blijkt dus, dat hij niet kleurblind is, dat zijn kleuronderscheidingsvermogen goed is, en dat dus het onvermogen om kleuren juist te benoemen, berust op een gebrek aan associatief verband tusschen het gezichtsbeeld der kleur en het spraakbeeld van het woord, dat die kleur aanduidt.

Hij schiet niet te kort, zoolang hij de kleuren in levenden lijve voor zich heeft. Zoodra echter de kleur er niet meer als waarneming is, maar alleen als herinneringsbeeld, als voorstelling aanwezig is, wordt deze voorstelling zóó zwak, dat ze geen associatieve verbindingen van eenige beteekenis meer aangaat.

Nadat hij de kleuren goed bijeengezocht had, werd hem nogeens gevraagd, of een bepaald strengetje rood of wel geel was. Hierop antwoordt bij weer, dat hij het niet weet, maar grijpt dan dadelijk weer een wit strengetje, zeggende: „dat weet ik wel, dat is wit".

Gevraagd welke kleur de bladen der boomen hebben, zegt hij: „ja, dat heb ik wel hooren zeggen, die zijn groen." Op ons verzoek uit de wol nu die kleur uit te zoeken, die het meest gelijkt op de kleur der bladen, zegt hij dadelijk, dat hij dat niet kan. Hier ziet men het bovengezegde der zwakte zijner herinneringsbeelden direct gedemonstreerd.

Volledigheidshalve zij hier nog vermeld, dat bij het laatste onderzoek hij, onder invloed van recente oefening, eenige vorderingen in het benoemen van kleuren scheen te hebben gemaakt, daar hij het laken op de tafel, waarvoor hij zat, volkomeu juist als „donkergroen" betitelde.

8°. Om ons eenig idee te vormen van de scherpte zijner visuèele herinneringsbeelden, vroegen we hem, ons te beschrijven, hoe de burgemeester van Papendrecht er uit zag. Deze vraag werd gesteld op 26 Maart, nadat Garsthagen het laatste half uur vóór het onderzoek met den burgemeester was samen geweest. Spontaan wist hij op die vraag niets te antwoorden. Vervolgens werden hem de volgende vragen gesteld. Vr.: Welke is de kleur van zijn haar? A.: Ik weet het niet. Vr.: Heeft hij een baard? Daarop blijft hij eerst het antwoord schuldig, doch zegt dan opeens: „hij heeft een snor, want ik heb hem daar net aan zijn snor zien draaien", (maakt daarbij de beweging van het draaien aan een snor.) Vr.: Loopt hij mank? Ook hierop weet hij geen antwoord te geven. Op de vraag, door een van ons gesteld: „is hij jonger of ouder dan ik?" antwoordt hij onmiddellijk: „jonger". Inderdaad is de burgemeester 38, de vrager 61 jaar.

9°. Het onderzoek naar zijn kennis van meer samengestelde zaken, het begrip van beteekenis en doel, leerde het volgende.

Hij kent geen verschil tusschen Zondagsschool en kerk: „het zal wel eender zijn". Vr.: Preekt de burgemeester daar ? A.: Dat weet ik niet, maar het zal wel zijn.

Op de vraag wie boven de burgemeester staat, blijft het antwoord schuldig. Waar men dan klagen moet over den burgemeester? „In Dordrecht". Hij heeft wel eens gehoord van „raad" en ook van „wethouders", maar weet niet, wat dat is. Wat een dominé is, of een pastoor, wat het verschil is tusschen deze twee, wat ze doen, evenmin. Vr.: Is dominé en wethouder hetzelfde? A.: Dat weet ik niet.

Gevraagd naar zijn godsdienst weet hij geen antwoord te geven. Hij heeft nooit gehoord van catholiek en protestant, weet althans het verschil niet, zegt zelf nooit naar de kerk te gaan. Gevraagd, of hij wel eens van onzen lieven Heer heeft gehoord, antwoordt hij bevestigend. Doch op de vraag, of dit een man of een vrouw is, verklaart hij dat niet te weten. Gevraagd, wie hier boven is, blijkt hij het woord „God" te kennen, doch verder gaat het niet.

Terwijl hij vlak bij een rivier woont, heeft hij geen begrip van de beweging van het water. Hij stelt zich voor, dat het water tusschen zee en bergen heen en weer schommelt in verband met eb en vloed, doch heeft geen voorstelling van de algemeene beweging van het water naar de zee.

Papendrecht ligt volgens hem aan den Noord. Later blijkt, dat zijn eigen woning en de werf, waar hij werkt, aan den Noord zijn gelegen. Blijkbaar is bij hem de voorstelling van Papendrecht in hoofdzaak die van zijn eigen woning en werkplaats.

Sluiten