Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10°. Hij weet, dat hij 13 cent per uur verdient. Op de vraag, hoeveel dat per dag is, zegt hij: „als ik 10 uur. werk, dan heb ik 26 stuivers per dag".

Hij zegt verder, bij het ontvangen van zijn loon, niet te kunnen nagaan, of hij genoeg ontvangt. „Ik vraag dat dan aan mijn andére maats".

Hij geeft thuis alles af (hij woont bij zijn ouders in huis) behalve verdiensten van overwerk en krijgt dan van het afgedragene weer zakcenten, n.1. ƒ1.50 per week. „Ik heb een daalder tractement", zegt hij, doelende pp die zakcenten. Zijn moeder zorgt voor zijn kleeren. Hij gebruikt zijn traktement voor sigaren en andere kleinigheden.

11°. Op de vraag, waarom stelen verboden is, zegt hij: „Mag het niet hebben, omdat „het me niet toekomt".

(Op dit punt — het was op het eind van het derde onderzoek — begint hij bezwaar te maken, want hij wordt er benauwd van. Hij maakt zich nl. benauwd, dat hij later in Arnhem precies hetzelfde zal moeten vertellen en zich dan niet zal kunnen verdedigen, omdat hij dat niet alles kan onthouden. Daaromtrent door ons gerust gesteld, gelooft hij onmiddellijk, dat hij dat niet behoeft te. onthouden).

Bij herhaling van de vraag, waarom je niet stelen mag, komt het antwoord: „als je steelt, moet je de kast in". Vr.: Wie zegt dat, wie stuurt ze in de kast? Hierop geen antwoord. Vr.: Wie spreekt de straf uit? A.: Ja, dat zullen de rechters moeten doen. Vr.: Wat is de eisch? Wie doet dat? A.: De rechters.

Als conclusie uit dit onderzoek volgt, dat Garsthagen lijdt aan gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens, aan Imbecillitas. Dit blijkt uit zijn gering herinneringsvermogen, de daarop berustende geringe feitenkennis, het niet kunnen benoemen van eenvoudige kleuren, het gemis aan meer algemeene begrippen, het ontbreken van godsdienstige gevoelens. Tengevolge van die gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens moet Garsthagen in zijn verklaringen intellectueel onbetrouwbaar worden genoemd, en kan hij niet toerekenbaar worden geacht voor het plaatsen van het bewuste stuk in de' Dordrechtscbe courant, daar hij noch de beteekenis van een dergelijke handeling, noch de mogelijke gevolgen er van, in staat was te overzien.

Dr. E. BRANDTS.

De reden dat we het nuttig vonden, dezen getuige te zien, was gelegen in het feit, dat hij een deskundige verklaring had afgelegd, die opviel door de bijzondere stelligheid, waarmede een oordeel werd uitgesproken over een niet eenvoudig punt. Op de hem gestelde vraag namelijk, of de verwonding op den neus, waarvoor hij Garsthagen had behandeld, veroorzaakt kon zijn door een val tegen een deurpost, of wel door een of meer slagen met de vuist op den neus, had deze getuige geantwoord, dat hij het eerste onmogelijk achtte, het tweede mogelijk.

Het was dit exclusieve standpunt, dit gebrek van twijfel ten opzichte van een uit wetenschappelijk oogpunt zeer moeilijk alternatief, dat ons dwong te denken aan de mogelijkheid, dat een eenmaal opgevatte opinie, b.v. onder invloed van door Garsthagen of anderen gedane mededeelingen, zich staande hield en andere overwegingen daarnaast niet tot hun recht deed komen. Naar aanleiding daarvan meenden we de vraag onder de oogen te moeten zien, of bij dezen geneeskundige kon worden aangetoond een geringere mate van voorzichtigheid, van onbevangenheid, van behoefte om telkens weer een eigen oordeel te herzien, als van deskundigen in het algemeen moet worden verlangd.

Het is echter bij onderzoek gebleken, dat we niet aan de beantwoording van die uiterst moeilijke vraag hebben behoeven te werken, daar het bleek, dat bij Dr. Brandts tot zekere hoogte een misverstand heeft bestaan omtrent de beteekenis der aan hem door den rechter gestelde vragen.

Hij was namelijk van meening, dat zijn oordeel werd gezocht over de vraag, of-de verwonding van Garsthagen kon zijn ontstaan op de wijze, zooals zou kunnen worden afgeleid uit de gezamenlijke verklaringen der veldwachters, of wel op de wijze, zooals kon worden afgeleid uit de verklaringen van Garsthagen. Aldus heeft hij een meening gegeven, die slechts voor een deel een deskundige verklaring bevatte, voor een ander deel berustte op waarschijnlijkheid, resp. onwaarschijnlijkheid der verschillende getuigenverklaringen door Garsthagen zelf e. a. afgelegd.

Hij zegt o. a. dat hij zich niet kan voorstellen, dat Garsthagen alles zou verzonnen hebben, en geeft toe, dat deze overweging wel invloed heeft gehad op zijn uitspraak, en ook: „Wanneer men had gezegd, hij is gevallen langs een deurpost, dan zou ik geen bezwaar ge-

Sluiten