Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„maakt hebben tegen dezen val als oorzaak, mits men maar wat vrijheid toelaat omtrent de „wijze, waarop de val heeft plaats gehad".

Het oordeel van Dr. Brandts is dus niet geweest een deskundig oordeel, maar was de einduitspraak, waartoe hij meende, dat de rechter behoorde te komen, o.a. op grond van een medisch-deskundig onderzoek der feiten.

Het is ons dan ook in een zuiver medische gedachtenwisseling gebleken, dat Dr. Brandts. wanneer hij alleen op het door hem waargenojnene afgaat, de verwonding van Garsthagen zoowel door een val als door een of meer vuistslagen verklaarbaar acht.

Aan het eind van ons onderhoud met Dr. Brandts gaf deze ook zelf toe, dat wat hij had verklaard geen zuiver deskundig getuigenis was geweest, maar min of meer zich ook steunde op feiten, of voor feiten gehouden mededeeüngen, langs anderen weg dan door medisch onderzoek tot hem gekomen.

W. J. LE GRAND.

De verklaringen van dezen getuige zijn in twee opzichten merkwaardig: 1°. omdat ze onderling telkens in strijd komen;

2°. omdat ze in een zeer ver gevorderd stadium der zaak voor het eerst optreden.

De tegenstrijdigheid van verschillende zijner verklaringen is zóó opvallend, dat ze bij een psychologische beschouwing van dezen getuige het eerst ter sprake moet komen.

Het best is het te beginnen met eenige aanhalingen uit het proces-verbaal, opgemaakt door den inspecteur van de Pol, van zijn beide verhooren op 23 Juli 1909, en 25 September 1909.

In het verslag van het verhoor op 23 Juli vinden we o.a.:

„Op den dag, waarop Garsthagen zou mishandeld zijn, kwam ik, zooals gewoonlijk, des „voormiddags ten ongeveer 10 uur het Raadhuis binnen. Terwh'1 ik de deur der Secretarie „binnenging, zag ik dat Garsthagen, ik begreep later ten minste, dat het Garsthagen geweest „was, tusschen van den Berg en de Meij, in, van de Secretarie gaan. Met de Secretarie bedoel „ik het lokaal grenzende aan de straat, waarin het publiek steeds ontvangen wordt. Of ze hem „vast hadden, kan ik mij niet meer herinneren. Ik zag bloed in zijn gezicht en ik meen ook „dat Garsthagen huilde".

En op 25 September 1909 lezen we o.a.:

„Toen ik ten 10 ure op het Raadhuis Kwam, ging ik eerst mijn jas hangen in den „gang, welke naast de Raadzaal loopt, waarna ik binnendoor naar de Secretarie liep. Daar „stonden toen van den Berg, de Meij en de man, die mij later als Garsthagen werd aangeduid. „De Burgemeester stond ook op de Secretarie. Anders was er niemand. Dx heb thans een „vaag idee, dat ik bloed in het aangezicht van Garsthagen heb gezien en dat hij met zijn zak„doek voor het gezicht stond. Met zekerheid kan ik me dat echter niet meer herinneren. J_k „heb daarna zooveel van die verwonding in de dagbladen gelezen, dat ik me misschien daardoor heb verbeeld bloed in het aangezicht van Garsthagen te hebben gezien, en ik U dit, „toen U mij de laatste keer sprak, als werkelijk waargenomen mededeelde. Ik heb er thans „nog eens goed over nagedacht en kan thans niet anders verklaren dan dat ik meen „Garsthagen te hebben zien bloeden uit zijn gelaat, toen ik de Secretarie binnenkwam".

Deze twee verklaringen verschillen onderling in de volgende punten:

1°. de tweede verklaring is vollediger dan de eerste, zij vermeldt door welke deur hij de Secretarie binnenkwam, wat in de eerste niet voorkomt; zij bevat de aanwezigheid van den Burgemeester; zij bevat de woorden: „anders was er niemand", wat speciaal zeggen wil, dat Bouterse er niet was, en het ontbreken van dien naam in de eerste verklaring dus niet een toevallige onvolledigheid is geweest.

2°. de tweede verklaring strijdt positief tegen de eerste door de vermelding, dat hij Garsthagen, v. d. Berg en de Meij zag staan op de Secretarie, terwijl hij in de eerste verklaard had te hebben gezien, dat Garsthagen tusschen van den Berg en de Meij van de secretarie ging.

8°. de tweede verklaring is vager dan de eerste wat betreft het hebben gezien van bloed.

ad 1. Psychologisch heeft dit weinig te beteekenen. Blijkbaar heeft van de Pol bij dit tweede verhoor meer gedétailleerd gevraagd en is daardoor een meer uitvoerig product verkregen. Slechts is het wellicht hier de plaats, er nog eens aan te herinneren, dat er een groot verschil bestaat in de intellectuëele betrouwbaarheid van een getuigenis, al naar dit als een spontane uiting of wel als antwoord op gestelde vragen voor den dag komt. In zooverre verdienen de détails bij tweede editie verkregen altijd bijzonder omzichtig te worden beoordeeld.

ad 2. Dit vrij belangrijke verschil in de beide getuigenissen van le Grand is, voorzoover we weten, tot nu toe nog niet ter sprake gekomen. Terwijl toch het punt 3 voor het hof te

Sluiten