Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Arnhem een onderwerp van uitvoerige bespreking heeft uitgemaakt, is over punt 2 gezwegen. Het verschil, of men iemand beschrijft als gaande met twee anderen van de eene plaats naar een andere, of wel ziet staan op een plaats, is toch nog al groot. Ook verdient hier vermelding dat wij aan den inspecteur van de Pol gevraagd hebben, of hem dit verschil niet was opgevallen. Deze antwoordde daarop, dat hem dit verschil niet was ontsnapt; hierdoor is dus uitgesloten de mogelijkheid dat het een toevallig product zou zijn van redactie en bij voorlezing aan den getuige het verschil dezen zou zijn ontgaan.

ad 3. Dit verschil wordt door den getuige zelf in zijn tweede verklaring toegelicht. Hij zegt daar, dat het veel gelezen hebben over die zaak, een verwarring zou hebben gegeven tusschen datgene, wat hij gele'zen en datgene wat hij (visuëel) waargenomen had.

Bij de behandeling voor het hof te Arnhem verklaarde deze getuige bijna geheel overeenkomstig het tweede verhoor door van de Pol; alleen ten opzichte van het gezien hebben van bloed, keert hij terug tot zijn oorspronkelijke verklaring, zeggende, dat hij bij het tweede verhoor door van de Pol opzettelijk minder positief heeft verklaard, omdat hij den indruk had gekregen hiermede den burgemeester van Papendrecht aangenaam te zijn.

Wat overigens de verklaring voor het hof te Arnhem betreft, hieromtrent valt als psychologisch van belang op te merken:

1°. dat al wat hij te Arnhem achtereenvolgens heeft verklaard, slechts voor den dag gehaald is door ondervraging, met groote moeite, en in veel tijd, en hij daarentegen bijna niets spontaan heeft meegedeeld;

2°. dat hij ook daar achtereenvolgens tegenstrijdige dingen heeft verteld, van welke tegenstrijdigheid hij dan zelf de verklaring'gaf, n.1. dat hij den burgemeester wilde sparen.

Dit alles was reden genoeg, het onderzoek van dezen getuige noodzakelijk te achten; immers uit zijn eigen verklaringen staat vast, dat hij meer dan eens onjuiste verklaringen heeft afgelegd. Hier was dus het alternatief, geschiedde dit bewust of onbewust?

Bij het onderzoek door ons bij hem ingesteld op 16 April en 21 Mei 1910, deelde hij mede, dat bij in Arnhem zeer nerveus was; hij heeft daar zeer slecht geslapen, dacht steeds over de zaak en voelde de nervositeit aan zijn onvast loopen, een gevoel van lichtheid in het hoofd en hartkloppingen. Zijn bezoek aan de verdedigers in hun hotel te Arnhem sproot blijkbaar uitsluitend voort uit die nervositeit; hij had behoefte vaderlijk met iemand te [raten en motiveert de keuze van de personen, bij wie hij die behoefte trachtte te voldoen, met de woorden: „Ik vind een advocaat altijd nog genaakbaarder dan een rechter". Toen hij uit Arnhem terugkwam, was hij zoo nerveus, dat hij zich onder medische behandeling heeft moeten stellen; hij heeft toen een week absolute rust moeten houden.

Ons onderzoek levert de volgende bijzonderheden, die der vermelding waard zijn:

1°. hij zegt in het algemeen veel te droomen over datgene, waannee hij kort te voren is bezig geweest, en ziet dan wat hij droomt;

2°. als objectief teeken van algemeene nervositeit vertoont hij zeer hooge peesreflexen aan de bovenste extremiteiten en aan de knie;

3°. Zijn psychische toestand is gekenmerkt door een moeilijkheid en traagheid van alle processen; zijn herinneringen heeft hij niet onmiddellijk beschikbaar, het kost hem moeite, zich iets te binnen te brengen; in verband daarmede overziet hij een zaak slecht, hij ziet steeds slechts een klein gedeelte, waarvan weer het gevolg is, dat hij herhaaldelijk op grond van een slechts gedeeltelijk overzien van een zaak, het slechts gedeeltelijk begrijpen van de porté eener vraag, een antwoord geeft, waarvan hij bij het uitspreken de conseqenties volstrekt niet overziet, waarvan hij bij nader inzien de onjuistheid moet erkennen, eh dat dikwijls lijnrecht in strijd is met een zijner eigen beweringen van vroeger, geuit op grond van een andere wijze van kijken op dezelfde zaak.

Bij tal van antwoorden, die hij geeft, blijkt het dan ook volstrekt onmogelijk daarop voort te bouwen, van daaruit verder te redeneeren; doet men dit, dan blijkt men telkens weer met hem zelf in tegenspraak te komen. Zoo wordt men gedwongen veel wat hij zegt te beschouwen als de woorden van iemand, die onder invloed van zijn nervositeit spoedig de kluts kwijt zijnde, er maar op los praat. Of datgene, wat hij zegt, dan als een verlegenheidsleugentje moet worden opgevat, d i. of het hem op het oogenblik, waarop hij dat zegt, bewust is, dat het niet geheel juist is, of wel op dat moment het bewustzijn daarvan hem ontbreekt, is niet altijd voor iedere zaak afzonderlijk uit te maken.

Hier volgen nu eenige voorbeelden van de genoemde afwijkingen. Op "de vraag, of hij na de zitting van het hof te Arnhem, den burgemeester van Papendrecht nog wel eens had

Sluiten