Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontmoet, antwoordde hij ontkennend. Daarop werd hem gevraagd, hoe hij hij een dergelijke ontmoeting handelen zou. Hierop wist hij geen antwoord te geven, doch zat daarover na te denken. Toen dit lang genoeg geduurd had, om ons te doen begrijpen, dat er geen antwoord komen zou, omdat hij het niet wist, wilden we reeds tot een ander punt overgaan, toen de Rechter-Commissaris, die bij dit gesprek aanwezig was, opmerkte, dat le Grand een onjuist antwoord had gegeven. Immers een ontmoeting, als door ons bedoeld, had plaats gehad en wel op 14 Maart 1910, toen beiden door den Rechter-Commissaris waren gehoord en ook geconfronteerd; daarbij hadden beiden elkaar min of meer den rug toegedraaid.

Dit feit is van belang, omdat aan kwade trouw van den kant van getuige le Grand in dit geval nauwlijks kan worden gedacht. De tegenwoordigheid van den Rechter-Commissaris, die hem onmiddellijk een démentie geven kon, en inderdaad dan ook gaf, maakt hier in de eerste plaats waarschijnlijk, dat le Grand bij de vraag, of hij na Arnhem den burgemeester wel eens had ontmoet, aan de ontmoeting op 14 Maart,- die bij ons onderzoek 33 dagen geleden had plaats gehad, niet heeft gedacht; ja zelfs, bij de vraag, of hij zich voorstellen kon, hoe hij in een dergelijke omstandigheid handelen zou, niet dacht aan de handeling, die onder die gegevens al had plaats gehad, en evenmin aan het onaangename gevoel, dat hij toen moet hebben gehad.

Toen hem op deze onjuistheid werd gewezen en wij hem vroegen, hoe hij er toe kwam, om aan dat voorval in het geheel niet meer te denken, antwoordde hij slechts: „dat komt, ik „liet het geheele rechtsgebouw er buiten, op dat oogenblik". Het merkwaardige van dit niet opduiken dezer herinnering, terwijl hem een vraag werd gedaan, die haast niet precieser in die richting voeren kon, wordt nog versterkt door het feit, dat hij na de confrontatie met den burgemeester nog met den Rechter-Commissaris had gesproken over het onaangename dier ontmoeting, gelijk de R. C. hem herinnerde.

Wij hebben hier nu zulk een geval, waar we zouden kunnen denken aan een verlegenheidsleugentje, d. i. naast de waarschijnlijkheid, dat de herinnering aan die laatste ontmoeting met den burgemeester inderdaad niet bij hem opdook, staat de mogelijkheid, dat hij dat om welke reden dan ook, liever ontkende. Dan zou echter de traagheid in het opduiken van herinneringen slechts worden vervangen door een bijna evenzeer opvallende traagheid in het denken, want gegeven de tegenwoordigheid van den Rechter-Commissaris, waaruit een onmiddellijke tegenspraak moest volgen, zou. dit verlegenheidsleugentje dan al bijzonder en onverstandig zijn geweest.

Veel aannemelijker is dan de onderstelling, dat het geven van dit onjuiste antwoord de uiting is van het ondoordachte spreken, het er maar op lospraten van iemand, die in het algemeen al traag denkt en nu onder bijzondere omstandigheden geheel de kluts kwijt is.

De bewering van le Grand voor het hof te Arnhem, dat hij voor dien tijd zóó weinig van de Papendrechtsche zaak op de hoogte was geweest, dat hij daar voor het eerst tot de wetenschap kwam, dat datgene, wat door de veldwachters en den burgemeester werd verklaard, streed met wat hijzelf wist (of meende te weten), is er ook een, waarbij het de moeite waard is, even btil te staan. Was zij juist, dan zou daaruit bln'ken een zeer geringe belangstelling van le Grand voor die zaak. Dit zou op zich zelf een vreemd verschijnsel zijn. Terwijl de Papendrechtsche strafzaak langzamerhand in steed^(wijder kring belangstelling wekte, en eindelijk althans tijdelijk bijna ieder, die couranten las, min of meer bezig hield, ook al kende men noch Papendrecht, noch Dordrecht, noch een der personen, die in de zaak een rol speelden, zou het een opmerkelijk feit zijn, dat een jongmensch, die het zeker niet te druk had, om couranten te lezen, en die (met uitzondering van Garsthagen) alle personen der scène, die de aanleiding tot het strafproces vormde, door dagelijkschen orngang kende, zich zoo weinig voor die zaak interesseerde, dat hij, zooals hij zelf meedeelde, de berichten daarover eerst slechts broksgewijze, en later in het geheel niet meer las.

Dit zou zoo opvallend zijn, dat hier de gedachte moet opkomen, dat die onverschilligheid voorgewend is, en wellicht slechts dienen moet als verklaring van zijn herhaaldelijk wisselende getuigenissen niet alleen, maar ook van zijn geheele houding in deze zaak. Immers zonder dit gebrek aan belangstelling en daardoor aan kennis der zaak, zou hem het ernstige verwijt moeten treffen, dat hij gedurende bijna twee jaren de justitie had verstoken gehouden van een getuigenis, dat, wanneer juist, een groote waarde had.

Nemen we aan, dat hij van het begin af wel voldoende pp de hoogte was der zaak, om de waarde van datgene, wat hij kon meedeelen, te beseffen, dan zou het inderdaad begrijpelijk zijn, dat hij om die terughoudendheid te verklaren, vanaf het oogenblik, dat hij als getuige door van de Pol was opgespoord, zijn toevlucht nam tot een voorgewend gebrek aan belangstelling en een geheel gemis aan begrip van het belang dezer zaak.

Sluiten