Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot die menschen behoort, die gemakkelijk een mogelijkheid met een waarschijnlijkheid, een waarschijnlijkheid met een zekerheid verwarren, en die tengevolge daarvan neiging hebben datgene te zien, wat zij verwachten dat aanwezig zijn zal.

Inderdaad bleek deze eigenaardigheid bij ï>s. Hoekstra zeer duidelijk te bestaan. "We konden het lang niet altijd eens zijn met vele zijner interpretaties. Zoo b.v. deelt hij mede, dat hij tijdens confrontatie met Radama voor den Rechter-Commissaris gezien heeft, dat Radema zijn zakdoek in de handen had, of zooals hij het noemde, „met zijn zakdoek zat te wringen", en uit deze waarneming meent hij met zekerheid te kunnen afleiden, dat Radema de waarheid niet sprak. In de tweede plaats heeft hij waargenomen, dat Radema in den laatsten tijd tegenover hem een zekere schuwheid bezit, hem ontwijkt. De oorzaak daarvan staat bij hem vast; het is het schuldbesef van Radema tegenover hem. Het komt niet bij hem op, dat men iemand ontwijken kan, alleen omdat men onaangenaamheden met hem heeft gehad, zonder dat er van eenig schuldbesef sprake behoeft te zijn. Even beslist is hij omtrent andere vraagstukken. Tijdens de overbrenging van Kwakernaat op Zondagavond 8 Sept. 1907, heeft Kwakernaat eens omgekeken, terwijl Radema op hetzelfde oogenblik een bons hoorde. De vraag is hier, of Kwakernaat een trap tegen zijn zitvlak heeft gehad van van den Berg, die vlak achter hem liep, of wel de fiets van van den Berg tegen Kwakernaat's kuit stootte. Ds. Hoekstra nu zegt, dat Radema hem heeft verteld, dat Kwakernaat een trap heeft gehad. Radema ontkent dit gezegd te hebben, en beweert, dat hij gezien heeft of meent te hebben gezien, dat het fietswiel tegen Kwakernaat aankwam. Deze tegenspraak nu is op zich zelf van zeer weinig belang. Het is zeer mogelijk, dat Radema eens een onderstelling heeft uitgesproken, die hij later onwaarschijnlijk is gaan vinden, en zich niet meer herinnert, het gezegd te hebben; het is even goed mogelijk, dat hij slechts meegedeeld heeft, dat hem op het oogenblik zelf van het gebeurde eerst de mogelijkheid van een trap door het hoofd ging, en dat hij vlak daarop die gedachte heeft gecorrigeerd. Maar psychologisch belangrijk is de wijze, waarop ds. Hoekstra overtuigd is, niet alleen van wat hem door Radema al of niet is meegedeeld, maar ook van datgene wat al of niet kan hebben plaats gehad. Zoo vindt b.v. Ds. Hoekstra het zeer plausibel, dat Radema een trap heeft gehoord, en aan het geluid als trap heeft herkend, terwijl het bij hem vaststaat, dat het stooten van een fiets onmogelijk te- hooren zijn zou. Op de vraag of bij een dergelijken stoot het niet mogelijk zou zijn geweest, dat de fiets eenig rinkelend geluid maakte, en dat daardoor het omkijken van Radema zou zijn teweeggebracht, antwoordt hij met de meeste beslistheid, dat het rinkelen van een fiets onder dergelijke omstandigheden niet kan. En evenzeer acht hij het onmogelijk, dat Radema 's nachts te 12 uur gezien zou hebben, dat de fiets tegen Kwakernaat's kuit stootte, terwijl hij toegeeft volstrekt niet te weten, welk soort weer het toen was, daar hij toen nog niet te Papendrecht was.

Het is dit gebrek aan twijfel, dit alles meenen te weten, die sterke neiging, om niet alleen te zeggen, wat is of geweest is, maar ook te betoogen, dat elke andere oplossing onmogelijk is, die ons juist zoo voorzichtig maken moet tegenover dergelijke personen.

En waar deze getuige niet anders doet dan overbrengen, wat hij meent, dat een ander hem verteld heeft, zijn geheele getuigenis slechts is een reproductie van gewisselde woorden en zinnen, waar zoo gemakkelijk een onjuiste reproductie van woorden plaats heeft in verband met een van te voren bestaande opinie, ja zelfs in dergelijke gevallen niet zeldzaam is, dat men een ander, volkomen te goeder trouw, woorden in den mond legt, die men zelf oorspronkelijk heeft gebruikt of althans als gedachte heeft geformuleerd, daar is een getuigenis als het hier besprokene zonder eenige bewijzende kracht.

^jfe H. RADEMA.

Hoewel bij onderzoek van Radema geen enkel feit ons aanleiding gaf, hem nader te bestudeeren, meenen we, dat het hier toch op zijn plaats is, even op te merken, dat we met het bovengezegde geen uitspraak zouden willen doen in dien zin, dat de beweringen van Ds. Hoekstra onjuist, die van Radema juist zouden zijn.

Wat vooral hier van belang is, is dat zelfs al was door Radema alles woordelijk gezegd, zooals Ds. Hoekstra dit heeft meegedeeld, dan zou dit nog weinig waarde hebben. Immers dan hebben we nog steeds slechts mogelijkheden, onderstellingen, interpretaties van Radema.

Al verklaarde Radema te hebben gehoord, „laat hem maar eens bekomen", dan zou een dergelijke mededeeling niet veel meer beteekenis hebben dan een verzekering van Radema, dat hij bij de woorden „jongens, schei uit" slechts had gedacht aan mishandeling. Wat iemand denkt bij het hooren van een.dergelijken korten zin hangt, meer dan van de woorden en den

Sluiten