Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niet mogelijk is het hier te beslissen, of in al dergelijke zaken de rijkspolitie (en speciaal Bouterse) heeft getoond een lofwaardigen ijver, of wel aan een zekere mate van overijver heeft geleden; we constateeren slechts, dat het niet alleen de lagere klasse der Papendrechtsche bevolking was, die reden had zich nu en dan geprikkeld te gevoelen door de wijze, waarop de rijkspolitie hen belemmerde in datgene, wat hun lief was; een dergelijke aanleiding kwam ook onder winkeliers en kooplieden blijkbaar niet zelden voor.

En wie nu in elk speciaal geval gelijk had, doet niet veel ter zake; vast staat, dat er op vrij groote schaal strijd bestond tusschen de rijkspolitie eenerzijds en een zeer groot deel der bevolking, zoowel arbeiders als meer notabelen, anderzijds.

Er is geen reden aan te nemen, dat die strijd tot voor enkele jaren een ander karakter had dan dat van twee vijandelijke legers, die elkaar hardnekkig bestrijden kunnen, bloedig zelfs, zonder dat een der partijen meent zich over de andere partij te beklagen te hebben. Speciaal hier kan men aannemen, dat vechtersbazen, gaarne toegevend aan hun neiging tot strijd, het volkomen begrijpelijk vonden, dat ze bij het botvieren van die neiging door de politie werden belemmerd, en terwijl ze het volkomen natuurlijk vonden, dat zij onder omstandigheden eens op de poütie insloegen, als een noodwendig en natuurlijk gevolg dan ook de k lappen accepteerden, die hun daarbij werden toebedeeld, hetzij in natura, hetzij in den vorm van straf.

Alles dwingt tot de opvatting, dat zoo reeds sinds jaren de toestand was geweest, een voortdurend botsen dus van twee tegengestelde krachten, die van de bevolking, die gaarne op hun luidruchtige, ja woeste manier zich vermaakte en die van de poütie, die het haar plicht achtte, dit te onderdrukken. En al vielen daarbij herhaaldelijk klappen, het is denkbaar, dat deze toestand heeft bestaan zonder dat een der partijen de andere anders beschouwde dan als een vijand, die voor zijn eigen standpunt opkwam, zonder dat speciaal van den kant der bevolking de politie anders werd aangezien dan als een lastig, vervelend, hinderlijk impediment, om te doen waarin zij zin hadden, ongeveer zooals ondergeschikten dikwijls hun controleerenden chef zullen beschouwen, of kleine kinderen hun ouders, die ze graag nu en dan eens afwezig weten, tegen wie ze soms eens brutaal zullen optreden, maar wien ze ten slotte toch in hun hart het recht toekennen, hen te belemmeren in hun verkeerde handelingen, te straffen zelfs.

Zoo was sinds lang reeds het milieu, waarin de Papendrechtsche strafzaak zou ontstaan en groeien tot dien zeer bijzonderen omvang. Zonder dat eigenaardig milieu zou dat vermoedelijk niet mogelijk zijn geweest, maar zeker is het, dat de bijzonderheid van het milieu op zich zelf 'niet voldoende zou zijn geweest, dit resultaat op te leveren, Daarvoor was nog een andere invloed onmisbaar, en die invloed, wantrouwen zaaiend, beschuldigingen slingerend van mishandeling en meineed, oproepend tot strijd, ja strijdkrachten verzamelend en organiseerend, ging uit, zooals reeds uitvoerig is betoogd, van een psychisch zieke, Jan van Elk.

Hij zelf had reeds sinds vele jaren zijn hardnekkigen strijd met politie en justitie gevoerd, en gedreven door zijn haat tegen deze beide machten, in zijn qualiteit als rechtskundig adviseur niet alleen gelegenheid gevonden op te treden als verdediger voor ieder, die tot hem kwam, wanneer hij werd beschuldigd van eenig dellict te hebben gepleegd, maar tegelijk te verschijnen als aanklager der politie; zijn cliënt verdedigen was voor hem bijzaak, het vervolgen van elk politieambtenaar, en speciaal dezen te beschuldigen van meineed zijn voornaamste doel. Hij had overal, waar zich de gelegenheid voordeed, vooral in Dordrecht, zijn enormen suggestieven invloed doen gelden, maar tot nu toe steeds in zaken, die niet verder interesse hadden gewekt dan in de onmiddellijke omgeving. i

De zaak Garsthagen brengt nu dezen man in aanraking met de strijdlustige Papendrechtsche bevolking, en nu wordt de daar zoo bijzonder geschikte bodem door hem bewerkt. Garsthagen is mishandeld, dat staat bij hem vast. Hij zoekt en vindt zonder moeite tal van personen, die onder allerlei omstandigheden met de politie iets te doen hebben gehad, hij predikt zijn overtuiging, dat de politie provoceerend optreedt, ruw is, spontaan mishandeld, valsche processen-verbaal opmaakt, meineed op meineed stapelt. En het resultaat is een plotselinge regen van klachten. De strijd tegen de politie vóór 1907 te Papendrecht gevoerd als een soort sport, waarbij men klappen uitdeelde, maar het volkomen begrijpelijk vond, dat men ze ook nu en dan ontving, wordt nu een georganiseerd beschuldigingssysteem. Men voelt zich homogeen, men beschuldigt gemeenschappelijk en op de meest brutale wijze. Als iemand bij een vechtpartij, waarna Bouterse de stukken glas uit het hoofd moeten worden gehaald, te midden van een groote troep, waartegen Bouterse alleen zich met de sabel had te verdedigen, van dezen een slag met zijn sabel ontvangt, komt hij vertellen, dat Bouterse hem geheel zonder aanleiding een sabelslag heeft gegeven.

Sluiten